De verloren zoon <vorig  verder>
Wie honger heeft gaat een brood zoeken.
En water voor zijn dorst. De koude
Stopt hij dicht met wol en katoen
Tot zijn lichaam zacht grommend
In slaap valt. Een blinde
Kan nog tasten, een dove kijkt
Van binnen naar buiten
Als alle tijdlozen. Maar
Wie droomt moet wachten. Wie
Droomt kan slechts door het raam
Staren naar een klein geluid
Aan het begin van de straat.
Op de dag dat mijn zoon gaat slapen
Moet ik bij hem zitten
Op de rand van zijn bed.
Dan vertelt hij mij zijn dromen
Vraagt mij of het goed is.
Dan weet ik niet van wie
De onrust is die beweegt
In de schemering.
Dan weet ik niet
Van wie de hand is
Op zijn voorhoofd.