Over het zien van mijn vader <vorig  verder>
In Mechelen zag ik mijn vader.
Een koude dag, mist in de straten,
En hij had weer iemand gevonden
Om tegen te praten, lichtjes
Van de grond, zoals ik hem ken.


Toen ik omkeek, keek ook hij even,
Maar zijn mond bleef bewegen
In zijn tengere lijf. Spreekt een dode
De woorden op de zelfde manier uit
Als een levende? Of doet hij maar alsof
Om mij te troosten, achterblijver,
Hoper op een eeuwigheid die ik
Voor mij zie en niet aanraak?