Die met de bij gaat
Als het zomer wordt
Die de koordjes losmaakt
Van klaarte en jasmijnen
Die de vogels betast
In de morgen
En de aarde helpt zwijgen
In de nacht
Die de wijn rood laat worden
En de bladeren groengeel
En de huid bruin
Als van oude boeken
Die de honden moed geeft om te slapen
En het hout laat rusten in de kasten
En het licht leidt tussen het gras
En de kinderen laat lopen in hun stemmen
De moeders laat komen uit de tunnels
Zwanger van een kleine ronde wereld
En een blik zwaar
Van onzichtbaarheid
Die de regen tekent in de parken
En op de ruggen van de bomen
Die de honger hoort eten
En het huilen hoort van de slaap
Die aan de deuren waakt
Tot ze open gaan
Die het zonlicht laat druipen
In de ramen
Voor wie door de ramen
Staren naar zichzelf
Die de leegte legt om wie stil zit
En de lichamen laat rusten in de aarde
In de armen van wie geleefd heeft
Of zal leven
Die aan de schouders voelt
Van wie pijn heeft
En aarzelt bij de woede
Als ze bitter wordt
Die stilstaat in het dal
En klimt naar de berg
Die de stad tegenhoudt
Als het donker wordt
En klanken laat zinken
In de stemmen,
De lange stemmen
Die bij de hoofden waken
Die de bedden heeft gemaakt
En de ruggen
Die de ogen heeft gevoeld van vrouwen
En van boeken houdt
Van stenen, van wind, van alles
Dat wordt gevonden voor het zoeken
Die zoveel heeft geschapen
Om niet alleen te zijn
Die niemand laat wachten
Die niet heeft leren wachten
God van de schaduw en zijn vormen
Lege God
God in de hese stem van oude mannen
God in de korte vrouwenhanden
God van ledematen en nieuwsberichten
Van stank en oud geworden ijzer
Verlaten God met stemmen in het hoofd
Die nooit meer zullen zwijgen
God van dunne huizen
En magere lichamen
Van ogen diep in de aarde
Van de regen die geen antwoord geeft
Slechts ruist en bij de voeten zit
En toedekt met het lichtste wachten
Wie niet alleen mag zijn
God van Bach
Die met de mussen
De gewelven tilt
Op de schouders
Van de levenden
En op hun tong de klanken legt
Om hen te bewaren
Onhoorbare God
Die in de doven zingt
Zoon van het licht
Terwijl het licht blind is
En stil, de goedheid
Van oud geworden beenderen,
Licht dat de doden achterlieten
Als gift van hun bestaan
Hoe meer doden hoe mooier
De glans van jonge kinderen
Licht van wie ziek is en liefde geeft
En de wereld redt
Van wie verbannen is
En de wereld laat thuiskomen
Van wie geslagen
De wereld zo heeft liefgehad
Dat ze mocht bestaan
Steen die uit de zee rolt
Gelaat dat uit de ogen vloeit
In wat het ziet
|