De eerste die spreekt is een vrouw.
Ze komt van ver.
Haar jeugd bracht ze op het water door,
Haar hoge jaren op het land,
In de steden die 's nachts
Van plaats verwisselen om elkaars
Vergeten doden te begraven.
Nu wil ze weten waarom de schooiers
In de tram ooit moeders hadden.
Nu wil ze weten waarom er iemand
Zingen moet als je dood gaat.
Er is een man die onrust verzamelt.
Hij bergt wat hij vindt
In de kelders van zijn rug.
Zijn hand beweegt. Vuurtorenlicht.
Zijn voorhoofd slijt
Van het geluid dat leven is.
Hoeveel keer heeft hij zo rechtop gestaan?
Hoeveel keer nog, vraagt hij.
Maar de anderen zwijgen.
Hij wil weten wie hem zal wegbrengen
Als het licht oud wordt.
Hij moeten denken aan de portretten
Van zijn vader en moeder,
Zo stil als Quakers.
Dan zou hij kunnen huilen, zegt hij.
Hij moet denken, zegt hij,
Aan het zonlicht dat door de ramen valt:
Hij ziet het, ook als hij zijn ogen sluit.
Zo wil hij kunnen leven, dit geven
Dat vanzelf gaat, alsof het lichaam
Niet meer is dan een plaats om goed te zijn,
Alsof het weten niet meer is
Dan een plaats om warm te worden.
Er is een vrouw die de wereld liefheeft.
Als ze aan haar mond komt geuren de randen
Van herinnering. In een gezicht
Kun je de wereld begrijpen, zegt ze.
Zo gaat ze, zo glimlacht ze.
Zo bewaart ze de wereld,
Een ouderwordende liefde
Die dieper kleurt en ademt
In en uit de nacht.
Als ze door de dag kijkt
Ligt de stad tegen haar oksel,
Een kind dat telkens weer
Zo jong is. Ze kijkt en
Vraagt zich af of kijken
Wel genoeg is. Dan
Kijkt ze weer.
Er is een man die rond zijn stem
Een lichaam heeft gebouwd, lichaam
Van blokkendozen en oud speelgoed
En appeltjesvlees in november.
Een leven lang stem, met die
Glanzende stenen vingers.
's Morgens staat hij op
Haalt woorden en
Draagt ze over straat.
Soms hijgt hij, soms hoest hij.
Dan is zijn lichaam 's avonds moe,
Huis dat al zo lang wordt bewoond.
Maar nog altijd danst zijn stem.
Nog altijd vangt hij haar op
Met die glanzende vingers.
's Nachts droomt hij van de jongen
Die haar mee zal nemen in een ander lichaam.
Hoe vaak heeft hij al aan hem gedacht.
In dromen wordt het leven voorbereid
Van wie na ons komt.
In dromen worden alle verhalen
Weer helemaal nieuw.
Er is een vrouw die stenen heeft gehoord
En het kleine kreunen van de dieren,
De gebeden van het mos,
het vergeten uur 's nachts.
Soms daalt in haar een liefde
Die ze meent te begrijpen.
Dan zegt ze: hoe groot is de schepping.
Soms groeit in haar een pijn
Die ouder is dan de zee
En haar golven.
Dan zegt ze: er is in mij een moeheid
Die mij optilt en achterlaat.
Waarom toch, mijn lichaam.
Drie vrouwen en twee mannen
Terwijl in de dag de straten vol
Water lopen, de bladeren vol licht,
De dieren vol onzichtbaarheid.
De dag heeft aan zichzelf genoeg.
Drie vrouwen en twee mannen
Vijf stemmen die vorm werden
En zich afvragen waarom
Ze dat moesten weten.
|