1
De eenvoudigste dingen
Hebben een soort stilte bereikt
Die helemaal doorzichtig is geworden
Helemaal weg uit zichzelf
Alleen nog mogelijkheid, beweging, begin
Zoals je in een tuin loopt
En plots stijgen geuren op rond je,
Van de bloem waar je onachtzaam
Onzichtbaar tegen liep
2
Dood de boeddha
En ik zie dat het licht
Wegspringt voor mijn voeten
Dat je lichte ogen
Soms moe worden
Dat er pijn is in je rug
Dat de dag kan gaan liggen
Als een zieke hond
Dat ook de mooiste beweging
Ophoudt zonder om te kijken
We hoeven de boeddha niet te doden
Hij doodt zich zelf wel
3
Ook rotsen vloeien weg in de tijd
Zegt de zentuin, zwijgt nog wel
Maar verandert niet van onderwerp:
Ook de dichtste randen moeten breken.
Maar even nog slaapt vochtig
Licht op deze rots
Deze rots die mij bijeen houdt
Ik mag sterven in mijn lichaam
Ik zal wegvloeien maar
Zonder mij was er geen stroom
En zonder stroom was er
Geen gladgewreven zachte rots
4
Vorm is leegte, zegt de monnik
Gaat zitten en begint aan zijn werk:
Zittend stapt hij in de beweging
Bewegend weet hij dat hij afslijt
Slijtend voelt hij dat hij leeft
Levend moet hij bewaren
Bewarend maakt hij plaats
Plaats makend wordt hij onzichtbaar
En als hij onzichtbaar wordt
Glanst wat er is in
Wat er niet meer is
Dat is zijn werk: spitten, graven
Eggen, zaaien en dan wachten
Tot alles weer begint
Een monnik is grond
Voor oneindigheid
|