De dag begint in regen en in mist.
En dan trekt alles toch weer open.
De zin van leven? Ik denk: er is
Geen zin behalve dit bewegen dit
Door elkander lopen, dit schaven
Aan schouders, dit even omkijken
En niet vergeten, een woord zoeken
En vinden en meenemen om te geven
Vannacht weer inslapen en morgen opstaan
Vol van licht en weerloos van begin.
Er is een zin in ademen, want
Ademen is drijven
Is meegaan met het dichtste en het verste
Is niet moeten oordelen, is vanzelf
In leven blijven, is weten van de mist
En van de kleuren die niemand vergeten.
Er zit een zin in kijken, dit deinen op
De adem, dit naderen voorzichtig, zo dicht
Dat alles overloopt, al is het maar voor even
Al is het maar een lichtvlek op een steen
Al is het maar herinnering
Aan een verhaal van een verhaal
Al is het maar het staren na de regen
Een leegte ooit gevuld is volle leegte.
Er zit een zin in stilte, dit opkijken
Van richting en van doel, voorzichtig.
De sferen konden zingen, eindeloos
Ze hadden niemand nodig, en niemand
Die ze hoorde, dit is de harmonie
Die niet beweegt, tenzij als eeuwigheid.
Maar in de stilte zit een blik
Verlegenheid als van een kind
Dat in een klaslokaal
getallen spelt en met zijn vinger
De lijnen volgt hem nu gegeven
Zo zit een klank in alles, in ramen
In de wind die beeft, de handen van zijn moeder
Alles klinkt omdat het niet alleen is
Niet alleen telt op, verbindt, verliest zichzelf
In twee, in drie, in woord en tegenwoord
In weggaan en weer willen weten
In dorst en honger, in luisteren en samen
Eten. De stilte is dit kind: een tuil is het
Een naam die iemand ooit gevonden heeft
Een lichaam warm van koude en onbegrip
Dat ook van dit huilen zal genezen
Als het in slaap kan vallen, als het kan
Liggen zoals de aarde ligt, zo dicht bijeen.
Is dit het leven niet, dit grondeloos bewegen
Dit wezenloos verglijden, bijeen gehouden
Door adem en een blik, door stilte
Die vertelt van weten en vergeten.
|