Het poëtische denken (epiloog) <vorig  verder>

Er is, in deze tijd van versplintering, nood aan een nieuw denken. Maar omdat niets echt nieuw is, alleen soms honderden jaren ligt te wachten, is het een oeroud denken, dat van onze voorouders, dat van het kind in ons, dat van de dichters en de zangers. Het denken dat zijn kennis niet als een muur rond zich optrekt, nee, een verwonderd denken, dat achter al die kennis nog de eerste beweging ziet, die van de hand die iets oppakt en in het licht houdt, die van de verbaasde blik, van het hoofd dat trilt van nieuwsgierigheid. Dat poëtische denken, dat door tijd en ruimte schiet, dat meedeint met het grote ritme dat in de wereld is, dat ademt en zingt en zwijgt, en zich buigt over zijn oneindig middelpunt waar alles uit ontspringt, niet alleen zijn bron, maar de bron van de hele wereld, dat poëtische denken hebben we nodig, wij mensen die steeds verder afgesneden raken van onszelf en van elkaar.

Het is het denken dat nog ziet hoe een blad volloopt met licht, en dat blad laat vollopen en niet voortijdig weer op zoek gaat naar andere jachtvelden. Het is het denken dat wolken verzamelt, en gezichten, en de klank van stemmen als ze overmeesterd worden door gemoed en verlangen, en willen dat men even opkijkt, en hen ziet. Het is het denken dat in beelden denkt, en alles daardoor gelijkschakelt, het grote en het kleine, het onzichtbare en het zichtbare, de grote dans van de tienduizend dingen van de schepping. Zo brengt men souvenirs mee van een reis, en bewaart men foto's van geliefden, zo richt men musea op, zo brengt men de laatste eer. Dit is een wereld waarin alles samen moet wiegen wat gezicht en vorm heeft gekregen, omdat het zichtbaar en tastbaar is geworden, en omdat het dat weet. Er is een kostbaar zelfbewustzijn in dieren, mensen en dingen, en het poëtische denken moet de zorg uitstralen waarmee men daar mee omgaat. Geen utilitaire redenen moeten er zijn om alles te redden, want die kent men niet, maar de simpele vreugde om een ontmoeting, om een moment dat gevuld wordt door een heel leven. Elk kind kan Abraham zijn en een Godsvolk stichten. Elk kind kan de wereld redden. Elk dier weet alles van zijn soort, een weten dat soms ouder is dan alle mensen samen. Elke steen is een berg geweest. Elke dag hernieuwt de schepping van het heelal.

Nochtans weten mensen dat. Gevraagd naar wat hun gelukkig maakt, spreken ze daarover: over het wakker worden 's morgens, in een nieuwe dag, over de adem die in en uit gaat, en het groen van de struik en de hand die de deur open houdt. Mensen weten dat je niet moet kijken om te grijpen maar om los te laten, zoals een blik warmte en leven kan geven. Een blik kan dat. Mensen weten dat weten zonder die warmte zinloos is, een economische activiteit waarvan de uitkomst onzeker is en hulpeloos als de tijd er overspoelt en we, zonder elkaar maar met ons geld, eenzaam achterblijven. De nutteloosheid van alles zou ons allang nederig moeten hebben gemaakt, en stil. Zou ons het kijken moeten hebben geleerd dat alles ziet, alles hoort, oppakt en droog wrijft, en vraagt of het goed is, en het is goed want de klank van een stem kan redden en genezen. Een stem kan dat.

Laten we te midden van een gigantisch maar versplinterd weten eindelijk 'ns gaan zoeken naar wat ons bijeen houdt, naar de ziel die wij niet meer zien, en die we toch recht in het gelaat zullen moeten kijken als we nog willen liefhebben. Naar het woord dat ons gesproken heeft, en dat groter is dan de handen van onze ouders, want niet sterft als onze ouders sterven. Het woord dat ons moet redden van de eenzaamheid, dat woord zullen we moeten vinden, voor onszelf, en voor alle andere schepselen. In deze overweldigende aanwezigheid van gezichten en vormen is een gesprek gaande waar we eindelijk 'ns naar moeten luisteren, om de wijsheid te zien van het onophoudelijke geboren worden, om de beweging te zien die alles loslaat, vaak zomaar, en meestal met een overschot aan zorg en genegenheid, aan overgave zoals de Nederlandse taal zo mooi zegt. We zullen eindelijk 'ns de wijsheid moeten leren zien van een wereld die geeft, en ook wil terugnemen. We zijn mooi gemaakt, en goed, en die aanraking willen we opnieuw voelen, en opnieuw, omdat we er telkens weer door geboren worden. Mensen kennen die aanraking, die rijkdom waaruit ze mochten ontstaan, op dat eenvoudige kinderlijke niveau zijn alle schepselen gelijk.

Het is goed dat we ons bevrijd hebben van bijgeloof, onze angsten hebben onderzocht, alle kennis bijeen hebben gelegd om voorzieningen te treffen om beter te leven. Maar waarom zijn we daarin, in die beschavingsroes, het oude gebaar vergeten waaruit we vertrokken zijn, de helpende hand, de zorg om te redden, de diepe goedheid om het leven te delen, de vreugde om samen te ademen en te spelen, de ontroering om te groeien en te laten groeien, de hardnekkigheid om het leven te leren kennen, de trouw om te bewaren wat ooit was en is, de eerbied waarmee men laat verdwijnen.

Ouders krijgen met elk kind de liefde cadeau, net zoals de zanger met elk lied, en de boom met elk blad. Als het zo eenvoudig is, veel eenvoudiger dan de duizelingwekkende kennis waartoe we nu in staat zijn, waarom weten we het dan niet meer? Waarom is die kennis, die van de bezieling, die van de verwondering om die bezieling, verdwenen?

Nee, vergeten zijn we niets. We hebben alleen wat teveel tijd nodig gehad om aan onszelf te denken. Ook dat moeten we leren, dat is waar, bedolven als we waren onder dogma's en verboden, doctrines en stellingen, haat en herinnering, blindheid en angst. Maar me dunkt dat we nu genoeg vrij zijn gemaakt. In deze tijd van veel te kleine syntheses is het moment stilaan aangebroken voor een grotere synthese, die van de kennis en de verwondering, die van het doen en het laten, die van de keuze en de trouw, die van het begrijpen en het vergeven. Er is stilte nodig om veel te horen, er is tijd nodig om alles te zien, er is wil en andere kracht nodig om alles aan te raken. Allemaal zullen we ouder en kunstenaar en ambachtsman moeten zijn, om de diepte te leren zien in en onder alles wat bestaat, en die verklaart waarom dat alles zich zo moeizaam laat vergeten, zo hardnekkig zich vastklampt aan de trots van zijn bestaan. De diepte in het bestaan, cellist Rostropovitsj zegt het op zijn manier: "Ik geloof in het bestaan van een kosmisch ritme, een goddelijk ritme dat ieder van ons met zich meedraagt. Dat ritme bepaalt waar het leven ophoudt, maar zelf gaat het door. Ik heb het idee dat het ritme van een uitvoering een bepaalde energie moet hebben om te voorkomen dat het gaat achterlopen bij het ritme van de kosmos. Die energie moet bewaard blijven, omdat elk ritme de neiging heeft tot stilstand te komen. Je moet het op peil houden en aanduwen, anders sterft het."

Niet toevallig spreekt hier een musicus, als er één mens gevoelig is voor het ritme dat in alles zit, dan is het de musicus wel. We zullen allen musicus moeten worden en luisteren naar het grote ritme dat ons op aarde heeft gezet en ons in leven houdt met een melodie waar anderen verliefd op worden, meezingend en meebewegend, stil wordend als het plots eindigt in iets of iemand, en dankbaar als het weer klinkt bij weer een nieuw lichaam. De schoonheid van elk leven, waarin alles is wat de wetenschap weet, en nog zoveel meer, waarin alles klinkt wat de kunst vindt, en nog zoveel meer, waarin alles bewaard wordt wat ouders aan hun kinderen hebben gegeven, wat bomen in hun bladeren leggen, en nog zoveel meer, nog zoveel meer.