![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
"Wat is mijn ouderdom? Een rook, een damp, geen tijd," schrijft de oude Vondel, Prediker achterna. Als ik zeg dat de maanden weer zo vlug voorbij gingen, dan knikken de mensen rond mij en zeggen hetzelfde. En dan zwijgen we, want wat valt er nog te zeggen, rook ontsnapt en damp slaat op de blik. Wat is dit "grijpen naar wind"? Kunnen we dan geen afstand nemen? Is ons alleen de ontgoocheling gegund, zoals Prediker die zo indrukwekkend beschrijft? IJl- en ijdelheid en onpeilbaar is alles, het recht verdrijft het onrecht niet, moedeloos wordt de wijsheid. Ik weet het, het is winter en dan krijg je zulke gedachten. Je krijgt ze als je ouder wordt, of als er weer een jaar voorbij is. Kunnen we dan geen beetje afstand nemen, voortschokkend met de dagen, blad in de wind? Predikers conclusie is: de afstand ligt bij God. Doe wat je moet doen, geniet er zelfs van, Hij zal wel oordelen of het goed was, Hij bewaart het overzicht, de echte wijsheid ligt bij Hem. Na de scherpe, wrede analyse van ons vermogen en onvermogen spreekt plots een groot vertrouwen. Iemand moet ons begrijpen, en de onpeilbaarheid die ons omringt. Iemand moet. Dat is de blik van de religieuze mens. Hij die weet dat het mysterie van zijn moeder en vader niet alleen lichamelijk is, maar zich ook uitstrekt tot in de diepste menselijke lagen, daar waar een liefde eeuwig lijkt, door niets te ontwrichten. Een zekerheid als de God van Prediker is die scheppende liefde, en wie die zekerheid toch mist, valt bodemloos door zijn bestaan. Dat moeders en vaders met hun kinderen ook de liefde scheppen, is voor de religieuze mens een bewijs dat het bestaan groter is dan het is, gegrond is, raakt aan een vertrouwen dat onwankelbaar lijkt, zelfs voor moedeloos geworden mensenhoofden die overal tekenen van het tegendeel zien. Maar wat is dat voor een dwaze kinderlijkheid, als je ziet hoe de wereld draait en maalt, als je het gelach der dwazen hoort ("het knettert als dorens onder een ketel"), als het geld volgevreten maar blijft slokken, als de beelden van al die gezichten in je ogen blijven spoken en toch weer uitdoven, plaats moeten maken voor andere beelden, als de dingen soms ineenstuiken op een manier die je nooit had gedacht, waarvoor niemand je ooit had gewaarschuwd, als "veel wijsheid veel verdriet brengt en een grotere kennis een grotere smart"... Deze wereld is ons zo nabij geworden, in kennis, in aanwezigheid, dat hij soms als een last op onze schouder gaat liggen. We reizen maar, we zien maar wat er overal gebeurt, we weten hoe alles is, en nog elke dag leren en weten we meer. Het lijkt wel een wereld die we zelf opgebouwd hebben, het werk van onze handen, waar we soms moe bij worden, moe en moedeloos. Maar waar is de afstand voor nieuwe ogen? We lijken wel ouders die zo achter hun kind aanzitten, dat ze het simpele feit vergeten dat het bestaat. Dat ontroerende gegeven dat iets bestaat. Uit het niets is opgehaald, voor altijd. Gezegend is met aanwezigheid, en straks met afwezigheid die ook vol kan zijn, misschien voller nog. Dat aanwezigheid andere aanwezigheid maakt, zoals zegen zegent. Dat de aanwezigheden zich aaneenrijgen tot verhalen die sterker zijn dan de wereld, de wereld veranderen, omdat wat mensen doen niet alleen rook en damp is, maar ook een geloof dat bergen verzet, letterlijk, steden bouwt, en maakt dat in een ziekenhuisbed de pijn wordt gestild van wie er om vraagt. Op het moment dat ik dit schrijf hoor ik tussen de autogeluiden een klok luiden. Iemand wordt begraven, denk ik. Dan heb je dat hoge trage geluid dat boven iedereen uit gaat, misschien om een ziel de lucht in te tillen. Ik zie de postbode voorbij fietsen, ik zie een oude man zijn vensterramen schoonvegen, ik zie de vogels die in en uit de takken vliegen, ik zie de knoppen die bleek aan de uiteinden van de jasmijn liggen te wachten, ik hoor de auto's die nooit de moed verliezen, en ik hoor het gelui. Vorige week, bij de begrafenis van nonkel Oscar, hoorde ik die klok ook. Traag lieten de klanken los over het vlakke land daar. En weer dacht ik: er is meer dan dit lijk dat weggeborgen wordt. Het wordt ook gezegend, bewierookt, bezongen. Het wordt omringd met dankbaarheid, met verdriet dat zo vol was, alsof de aanwezige lichamen nu de afwezigheid onder elkaar verdeeld hadden, om verder te dragen. En weer dacht ik iets van de hand te zien die ons bijeen houdt, want na ons zal nog begraven worden met tranen van liefde en dankbaarheid. De hand die ons bijeenbrengt en bijeenhoudt, en die in al wat wervelt dat ene blad opvangt, gezien heeft en opvangt, als de klank van een klok boven het land. En in hun verdriet zingen de zichtbaren, over engelen die de onzichtbare naar een paradijs begeleiden, een lied dat misschien alles samenvat, al begrijpen we het niet. |
||
![]() |
![]() |