1. Evenwicht <vorig  verder>

Kun je door het raam kijken naar de avond die maar niet vallen wil, terwijl op een dagreis mensen langs de weg liggen in een oorlog die zij nooit gewild hebben? Kun je naar een merel luisteren als ook voor hen straks de nacht komt?

Er hangt een aquarel van grijsblauw boven de daken, even roerloos zit de merel op de driehoek van buurmans dak, zijn staart achteloos langs de rand, zijn lied dichtbij. Alle restjes licht vloeien in de witte seringen aan de overkant van de straat. Er zijn maar weinig auto's meer, ze glijden onopvallend voorbij en na hen valt een gat van stilte.

Ik heb vrienden die wakker liggen van de oorlog, woedend zijn, hun stem verheffen in discussies en niet meer luisteren, of stilletjes beven van wanhoop. Ik ken er die elke keer weer opnieuw de vragen tellen en het antwoord nog altijd niet weten.

Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen verdriet, zei mijn moeder vroeger. Hoeveel kun je daar nog bij doen, zonder ziek te worden?

Soms gebeuren rampen die het leven ondersteboven halen. Mensen pakken bij elkaar wat ze in hun armen kunnen houden en lopen weg. Soms wordt de dag plots donker, zomaar, midden op de dag, die beloofd had altijd licht te zijn en lucht en vorm die op hen wilde wachten.

Wie de strop zo rond zijn hals voelt, alsof leven alleen maar gemaakt is om pijn te doen, moet zo vlug mogelijk naar het evenwicht terug, naar mensen die niet alleen schreien maar kracht hebben om te lachen, om op te pakken en weg te dragen, moet naar gemeenschappen waar wegen zijn en deuren en ramen tegen de koude buiten en hartelijkheid tegen de koude binnen, naar een plek die dag in dag uit op hem wacht.

Er zal altijd donkerte zijn, maar liefst alleen na een lange dag, na aandacht en liefde, na gezondheid, na een lang leven. Laten de golven van dit bestaan ons niet verdrinken, dit bestaan is niet gemaakt om lang donker te kleuren van verdriet, voortijdig zijn kleur te verliezen, voortijdig dood te gaan. Er moet een zekere redelijkheid zitten in de golven die ons meenemen, er moet een tijd zijn voor warmte en koude, voor thuiskomen en weggaan, voor hoop en wanhoop. Dit bestaan moet zich sierlijk voortbewegen, niet brutaal en onbeschaafd.

Daarom alleen al moeten we door het raam kijken naar de merel in de avond, om de warmte te voelen van een huis in de rug, om dit huis te delen met wie geen huis meer heeft. Daarom alleen al moeten we naar de merel luisteren, en naar de stemmen die door het huis klinken en door de straat, om te weten dat het leven voortgaat, hoe dan ook. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed, zei mijn moeder, en ze veegde haar tranen weg, probeerde op te staan en zocht naar een glimlach.