9. Vijf namen voor de geliefde <vorig  verder>
Compassie

Ik zie de lijnen in je gezicht en de last van je rug in je stap. Ik zie het als je moe in de zetel in slaap valt. Ik hoor hoe je soms diep adem haalt. Gaat het, vraag ik, en je kijkt even veelbetekenend, of je grinnikt dat je verslijt.

Maar je vraagt om je halssnoer los te maken, omdat je schouder even niet meewil, en ik word overweldigd door ontroering. Waarom die ene keer wel, en de andere momenten niet? Ben ik soms dichter gekomen door mijn handen om je hals? Laat mijn lichaam zich makkelijker ontroeren?


Vreugde

 

Ik zie hoe je beweegt tussen anderen, opstaat, neerzit, iets haalt of wegbrengt. Iets, doet er niet toe wat, het gaat om het bewegen. Ik zie hoe je luistert met dat zachte gezicht van je. Het moet voor je gesprekspartner een plezier zijn tegen zo'n zacht gezicht te praten, tegen die blik die het leven niet veroordeelt. En als je knikt, wiegt je haar, zoals haar dat kan, nauwelijks merkbaar en zo intens aanwezig.

En ik word aangeraakt door je aanwezigheid, enkel door naar je te kijken. De vreugde dat het leven zich zo geconcentreerd aan mij wil voordoen. Zo heb je me aangeraakt, zo raak je me nog aan, en even word ik weer verliefd, of hoe je dat kleine moment van vervulling ook mag noemen.

Het is niet dat ik je hebben wil. Ik heb je al gekregen, door je te zien. Hoe moet ik je nu noemen? Liefste? Die ik nooit meer zal verliezen? Die de wereld laat geboren worden uit haar gelaat? Die haar hand op mij heeft gelegd?



Zwijgen

 

De auto is ons paard. Lange minuten rijdt hij al, en wij zijn in gedachten verzonken. Maar hij weet waar we naartoe willen en valt ons niet lastig. En wij zwijgen, zoals we dat alleen kunnen bij elkaar. Zwijgend verzinken, elk in zijn lichaam, waar zoveel bij elkaar is gestroomd dat we er soms met verbazing op staan te kijken. Dat wachten bij zichzelf, alleen met zijn of haar gedachten, is wat een mens 's nachts overkomt. Maar bij ons gebeurt het ook overdag, uitkijkend door het raam van de wereld. En samen. Samen wegdromen, samen verzinken is delen van een soort oude vrede. Is delen van een soort oude zekerheid. Want als ik iets wil zeggen, zul je luisteren, dat weet ik, ik zal niet alleen zijn.

Aan wat denk je, vraag ik soms.

Aan niets, zeg je dan.

En dat is grote kunst.



Praten

 

Maar je komt soms thuis, en dan staat je mond niet stil. Ik leg mijn krant weg, of zet de potten wat zachter op het vuur, om de golven woorden niet te storen. De hele wereld is weer langs geweest, en dat merk ik. Soms schil ik een appel voor je, als om duidelijk te maken dat er toch nog ook dingen zijn die af zijn, voltooid in hun bestaan. Een beetje relativeren kan geen kwaad. En dan glimlach je, soms zuur, maar het is toch een glimlach.

Dat wegbabbelen van de wereld, dat hebben we altijd gekund, en steeds meer beseffen we hoe een goed dat is. Babbelen is een reinigingsritueel, maar ook een manier om gedachten bij hun staart te pakken, om het geheugen een handje te helpen (woorden als kleine zakjes waarin je de dingen wegbergt), om de wereld groter te maken (twee keer zoveel zien in dezelfde tijd), om dicht bij elkaar te zijn (babbelen als lichamelijk bijeenzijn. Hoeveel zijn we zoal bijeen geweest).



Herinnering

 

Als ik je zie, dan zie ik meer dan ik zie. Dat is een vreemde ervaring, die groter wordt met de jaren. Ik zie de jonge vrouw met het glanzende haar, die kinderen kreeg en daar goed in was. Ik zie je in elk land van Europa. Ik zie vroegere huizen rond je. Ik zie je bij lang verdwenen mensen.

Ik zie je niet alleen, ik herken je ook. Steeds meer herken ik je. De beweging waarmee je een onkruidje op de kruiwagen gooit, voilà die is er ook geweest, die beweging herken ik. Als eten je smaakt, dat herken ik. Als je zacht wordt bij mensen, als je gierend lacht, als je moe bent en je lendenen kraken, als je doodstil leest, als je nerveus wordt, of een grap gaat uithalen: herken ik allemaal. Zelfs die eerste blik heb ik ergens in mijn binnenste klaar zitten voor als ik hem nodig heb. Misschien heb ik je al dood geweten, in mijn dromen, of als ik bang was, misschien, zo duidelijk wil ik het ook niet weten, het gaat toch om een herinnering van de toekomst, daar kan ik op wachten.

Al is de dood natuurlijk het meest vreemde van allemaal. Eerst word je zichtbaar, tastbaar, en dan vervlieg je weer. Hoe stil zullen we dan zijn? Wat zullen we dan met elkaar babbelen? Zullen we dan mopperen, of minzaam spotten met de gang van de dingen? En hoe zal ik die laatste keer je halssnoer afdoen? En zullen we dan weten waarom we alles, al die jaren, bewaard hebben?