7. Blues <vorig  verder>

Waarom iemand de blues krijgt? Je denkt dat het is omdat de dingen veranderen, nieuwe bazen, nieuwe wetten, op het onduidelijke, soms op het onzinnige af. Waarom weten we vaak niet, maar veranderen doen ze, de dingen. Maar of we daar de blues van krijgen? Dat onbestemde gevoel van leeglopen?

Ik denk het niet. Niets staat stil, en eigenlijk weten we dat. Aanvaarden we dat. Zelfs dat we doodgaan.

Het is dat we elkaar soms kwijtraken, door de drukte van elke langskomende minuut, door al die veranderingen. Het is dat we plots de nood voelen aan iemand die lacht, of een grap vertelt, of plots wegholt zoals kinderen dat doen, zwaaiend van pak me als je kan, het leven als een spelletje dat zomaar kan beginnen en ophouden, voor het plezier van dit voorbijkomende moment. Het is dat er te lang geleden iemand met ons dolde, of een hand op onze schouder legde, of ons aankeek zoals je iets aankijkt waar je veel van verwacht. Het is dat het te lang geleden is dat we nog 'ns samen iets dronken, samen vloeibaar werden van geduld en groter leven. Het is dat we dat groepsgevoel missen, vreselijk missen is het dan.

Misschien zullen ze de mens wat genetisch aanpassen, dat hij in zijn kamertje alleen rechtop voor het schermpje blijft zitten. Maar voorlopig spelen we liever niet alleen, werken we liever niet alleen, teveel leven voor een mens alleen maakt hem hulpeloos, verloren.

Misschien willen we het zelfs wel weggeven, ons leven, ons kostbare, hoogstpersoonlijke leven. Zo staat het toch in de krant, in een artikel over stress. Tien raadgevingen van wie er voor heeft doorgeleerd: ten eerste, drink veel water, en je zal vanzelf gezonder worden; ten tweede, doe iets voor een ander, en je zal je vanzelf beter voelen. En nog zo een paar wetenschappelijkheden.

De blues, de zwaarte zit in ons omdat we de anderen beginnen te missen, omdat we de tijd missen om hun lichamen naast ons te voelen, omdat we beginnen te vergeten wat het is erbij te horen.

We zijn zoveel meer dan alleen: een tuil zijn we, een boom in bloei, een bende zijn we, een gezamenlijke herinnering zijn we, en het verlangen daarnaar. Erbij horen, erbij zitten, toekijken, mee grinniken, mee stil zijn, discussiëren over spelregels en over nieuwe spelregels, nog een beetje overlaten voor morgen, en overmorgen. De veranderingen voor zijn, of ze zelf maken. Zwemmen in de grote stroom, met z'n allen zwemmen in de grote stroom. Alsof het niets is. Alsof er na ons nog eindeloos veel dagen zijn dat we ons mogen bezighouden met deze van vandaag, de bende van dit uur.

Laten we hier drie tenten bouwen, zei Petrus. Hij wist wel wat goed was.