![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Ken ik een God? Ik weet het niet. Ik sta naast Thomas en wil voelen. Maar wat zeg ik dan, als ik 's morgens wakker word en de adem in mij voel, de grote adem? Als ik met schouders naast mij, die ook het leven dragen, zing om verlossing, bevrijding, alsof ik antwoorden wil aan die grote adem? Ik die, naarmate ik meer liefde zie, steeds meer op zoek ga naar de geliefde, niet wanhopig meer maar eindeloos nieuwsgierig? Wat doe ik met mijn verbazing, met mijn verlangen? Ik zeg: Adem, en voel de kracht die in mijn lichaam stroomt, mijn warme bloed, de dichtbijheid van mijn handen en ogen, voel de kracht die kinderen maakt, die toekijkt als ze de eerste stappen zetten, die een arm neemt als ze oud worden. Er is een kracht die mensen niet alleen laat, die hen adem geeft, en eten, die hen genezen wil, bewaren, die hen begraaft. Een kracht dichtbij, als de palm van een hand. Ik zeg: Grote Omarming. Ik zeg: Vader, en telkens zeg ik hetzelfde. Er is in mensen een liefde die hen leven geeft, die aandachtig voor hen is zoals een vader voor zijn kind, die hen draagt zoals een moeder dat doet, onopvallend onzichtbaar als glas, maar even helder en warm van het zonlicht dat binnenvalt. Groot Verhaal, zeg ik, als ik denk aan al die pogingen van mensen, nu en in alle tijden om die kracht, die liefde te begrijpen. Aan alle verhalen die zijn verteld en aan het verhaal dat groeit in mij. Ik zie knielen en stil worden, ik zie zwijgen en dieper kijken, ik hoor zingen, ik zie muren die hoogte en diepte willen loslaten, ik luister naar de woorden die vertellen wat mensen gezien en gehoord hebben, ik luister naar de stem van de psalm, toen en nu, naar de woede en de wanhoop, en telkens weer overvallen mij de verbazing en het verlangen: wie zijn wij dat wij roepen in de nacht, dat wij dromen delen, dat wij onze handen uitstrekken? Onuitspreekbare, Ongenoemde, zeg ik, wat is ons groot verhaal? Wat is het grote dat in kleine mensen gebeurt, hen zo nabij is, zo herkenbaar, en toch niet van hen? Wat is het grote dat hen onherroepelijk aan elkaar bindt, alsof ons leven zich ook in anderen bevindt, en dus ook onze liefde. Alsof we alles moeten begrijpen als we onszelf willen begrijpen. Kleine schepselen, die verwoed op zoek gaan naar de rest van hun wezen, dat zich uitstrekt over al het geschapene. Die in de liefde die hen drijft, de grote liefde vermoeden en haar willen aanraken. Die geboren worden met al wat geboren wordt, en sterven met al wat sterft. Het rusteloze zoeken van mensen om herkend, genoemd en bewaard te worden, en om te herkennen, te benoemen en te bewaren. Grote Geest, zeg ik. Wil die opspringt van vreugde. Aanwezigheid. |
||
![]() |
![]() |