![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Poeh, wat al grijs vandaag. Staalgrijs de lucht, grijsgroen op de bomen die proberen te verstillen, grijsgeel op de stenen van de huizen, donkergrijs de gaten die vogels achterlaten, witgrijs de verten, alsof de wereld een prop is die dicht is getrokken. Nee, veel groot verschil zit er niet in. En klein verschil vraagt een expert. En dat ben ik niet vandaag. Op de BBC leer ik dat kleur in mijn ogen zit, en dat het licht haar er uit tovert. Dat is om over na te denken. Je weet op den duur niet meer waar iets begint en waar iets eindigt. Dat ik zoveel werelden kan toveren als het licht dat wil, het maakt me nederig en groot tegelijk, ver- en bijziend, kalm en ongeduldig. Dat we mekaar zo nodig hebben. Als ik niet kijk, gebeurt er niets, glanzen de kleuren niet. Als er geen licht is, gebeurt er ook niets. Mooier synthese van het grote en het kleine bestaat er niet. Alleen, het is wachten, zoals bij de geliefde. Afwachten, verwachten, de wacht houden. Het wolkendek is vandaag te sterk, daar komt geen licht door, tenzij de restjes die in de dingen zelf zijn achtergebleven, noodgeneratoren die dan in moeilijke momenten als deze aanslaan. Het is iets, maar ook niet veel. Je loopt niet tegen de muur, je kan a van b onderscheiden, je weet dat als het vliegt het een vogel moet zijn. Een soort primitieve dagbeleving, die misschien ook wel zijn zin heeft, al is die niet zo duidelijk voor ons mensen, wezens die zo verwend zijn door hun ogen. Wie weet is het gewoon medelijden, dat de bewegende schepsels niet van de weg geraken, met de bomen, dat ze hun kalender kunnen bijhouden. Laat ik nog wat oefenen, al was het maar om niet stram te worden. Er is een mus in buurmans dakgoot, zie ik, bolletje schaduw, maar ik heb hem gezien. Mus. Kleine mus. Nee, als ik geen woorden had om mee te kijken, dan was het echt niets vandaag. Vandaag kijk ik met mijn woorden. Het grasveldje aan de overkant van de straat is zo'n miezerig tapijtje, dat ik het zonder het woord gras nooit geweten had. Ik kijk, en kijk, en zie niets, behalve iets wat van ver doet denken aan de wonderlijke schijn van gras in andere momenten. Maar ja, het is moeilijk schijnen onder een lucht die zich zo plompverloren op alles heeft gezet. Soms denk je aan mensen. Als je niet wist dat je ze met woorden kon herkennen, zou je ze niet opmerken in hun mist, in hun grijsheid, in de leegte die nu al zoveel tijd niet meer beweegt. Maar ze blijven in leven, omdat we tegen hen kunnen spreken, en ooit zullen ze weer glanzen, en vol en groot zijn, als een grasveld in de zon. |
||
![]() |
![]() |