![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Tussen mij en al die andere vormen is er de opsomming, niet de hiërarchie. Ik mag dan mens zijn en steden bouwen, maar zij zijn misschien veel ouder dan ik. Ik mag dan mens zijn en woorden hebben, maar zij leven gemakkelijker, geruislozer misschien.
En genadeloos stromen we door elkaar, windvlaag en deur en stem, en straten die op alles wachten, en al die gezichten. We stromen door en over elkaar, tijdloos want alles is tijdloos, in het voorjaar schitteren de ramen in de opkomende zon, in het najaar bleken de bladeren. Momenten zijn we die even oplichten, vormen die drijven op hun schaduwen en, als het avond wordt, opgaan in de grote schaduw die alles in zich bergt. We proberen te meten en jaren te tellen, maar als de wereld even sneller draait, schrikken we en worden weer kleine kinderen. Hoe klein zijn we, als er water overkomt, en aarde, en lucht. Bladeren zijn we, even een blad, en dan niet meer. Vlekken zonlicht, die vollopen en in elkaar vloeien. We weten, maar moeten er jaren voor leren, en het vergeten begint al met de eerste slaap.
Genadeloos schuiven we door elkaar, in de nacht voel ik de aarde waaruit ik ben gemaakt, in de dag stromen mijn ogen vol water alsof er een wereld is die mij oplost, en weggeeft aan al het geschapene. Ik heb geen tijd, want alles is tijd. Van kind ben ik oude man geworden, en als oude man denk ik weer als een kind, kijk ik en voel ik als een kind.
Er is veel in deze wereld, alles is in deze wereld: twee fietsers aan de overkant van de straat, klokkend vogelgeluid in de akoestiek van de beginnende avond, licht dat zich in de verte terugtrekt, en takken die donker worden van hun eigen vorm, een vrouw sluit een autodeur, ik voel hoe zacht mijn hoofd trilt, muziek hangt in de gangen van het huis. Alles dat bestaat, bestaat even intens, met evenveel tijd, evenveel ruimte, wordt opgegooid voor de ogen die het zullen zien, voor de handen die het zullen voelen, voor de mond die ervan zal eten of die het zal kussen. Alles komt en gaat, traag of vlug, dat doet er niet toe, dat zijn illusies waaraan we ons zullen warmen als we het koud krijgen, dat zijn woorden en indrukken, maar niets is vluchtiger dan een indruk, niets is korter dan een woord.
We zullen elkaar moeten bewaren, er zit niets anders op. We zullen moeten liefhebben, zoals men liefheeft wat niet weg mag gaan, hoewel het weg gaat, verandert, dag na dag, moment na moment. Hebben we alles gezien vandaag, van de steen aan de rand van de weg tot de oude vrouw in haar moeizame stap, van de vogelkreet tot het verhaal aan tafel, van het hart en de straat die nooit opgeven tot al die luchten boven ons, want ook daar is alles elk ogenblik anders, ook daar gaan waaiers open en toe met het gemak waarmee bestaan zich schept en weer opheft.
We zullen elkaar moeten bewaren. Er zijn gebaren die je twee keer doet, een keer om in leven te blijven, een keer uit liefde. Er zijn gebaren die je doet om nooit meer te vergeten. Er zijn momenten die je meeneemt, voor altijd.
Maar wat is het verband tussen alles? Waarom geeft leven leven door, en bestaan bestaan? Wat is die hand die alles opgooit, onophoudelijk, vormen die vormen worden, vlekken die komen en gaan, en terugkeren, en weer verdwijnen. De wil tot leven, tot levensbehoud? Ja, maar waarom die wil? Het is een vreemde vraag, als van een verliefde die verwonderd toekijkt hoe de lijnen samenkomen, hoe wonderlijk het is dat hij haar nu kent, en daarvoor niet, hoe wezenloos vormen zijn als ze evengoed niet kunnen bestaan, hoe aangrijpend bestaan is als hij haar nu mag zien, en liefhebben, voor altijd, lijkt het wel, hoewel ook daar de schaduw groter zal zijn dan het licht.
Maar dat er schaduw is. Dat er een rand is rond het licht. Dat zij opgroeide en wachtte op dit moment tot hij haar zag, dat ze dit moment vulde en nog eens vulde in hem, dat hij haar zag met alles dat in hem was samengestroomd, die kinderlijke hand die water vast wil houden, of van dat zachte zand dat wegloopt tussen de vingers. Er is iets hopeloos nutteloos aan alles, het nutteloze van twee mensen, het nutteloze dat ze op elkaar verliefd worden zonder dat de wereld wordt gered, het nutteloze van oud zijn en pijn hebben, van een steen aan de weg. Waarom is er het alles, en niet het niets? Het kan ook met een beetje minder, het kan ook met een beetje meer, er is geen reden waarom wij er moeten zijn, of dat dier, of die plek. Herkennen kunnen we elkaar, elkaar aanraken, elkaar doorgeven. Er is iets volslagen nutteloos, irrationeels aan het bestaan als zodanig, als het zoveelste schilderij van een schilder, de zoveelste dag in de ontelbaarheid, de zoveelste tak die in stilte groeit en met een kort geluid zal knappen, niemand misschien die het hoort.
En toch willen we stilstaan en kijken, toch willen we van elkaar houden, en van alles, toch hopen we dat onze handen daar nog iets aan toe zullen voegen, en onze handen zijn al zo verweerd, krom van tijd en van al die vormen. En toch. Die ene blik van een moeder naar haar kind in de wieg, in zijn zitje, op de arm, dat zijn armpjes beweegt omdat het leven door zich stromen voelt, die volstrekte hulpeloosheid van mensenkind waarop licht valt, en dan de blik van de moeder die dat kind tot leven riep: van een ernst, een leegte zo groot dat ze de hele wereld tegenhoudt. Alles stroomt, ja, alles haakt en botst en de geluiden blijven langer hangen dan de tijd die alles kreeg om er te zijn, dan de schaduw die alweer opgelost is in andere schaduwen, alles is maar alles, onvoorstelbaar voor een mens alleen, zeker als hij klein is. Maar dat kind ademt in de blik van zijn moeder. Een woestijn, die blik, een vinger tot in de kleinste cellen. Niets weet het kind, behalve wat het heeft gezien, gevoeld tot onder zijn huid, dat niet het alles hem heeft gebaard, maar een mens van vlees en bloed, maar een verlangen te groot voor deze onophoudelijke wereld, maar een nutteloosheid die niet meer wilde dan liefhebben.
En dat lijkt genoeg, genoeg om groot te worden, om in vertrouwen de ogen te sluiten 's nachts, om mee op te staan 's morgens, om iemand in de ogen te kijken, om iemand lief te hebben.
En is niet alles uit die blik ontstaan? Zo kijkt de wetenschapper naar zijn proeven, proeven doet hij niet om geld mee te verdienen, maar uit respect voor die geest van hem die al die vragen stelt, misschien ook een beetje uit bewondering voor die geest, maar zoiets is niet erg, ook een moeder bewondert haar kind. Zo laat een sportman zijn lichaam los, er zit een lenigheid, een kracht in verborgen die hem telkens weer met verstomming slaat, je zo goed te voelen is een verslaving. Zo is schoonheid niets anders dan een liefdevolle blik, die maar blijft kijken, tot alle lagen bloot liggen, en nog gelooft die blik niet dat alles is gezien. In de ogen van wie naar ons kijkt worden we mooi, en goed, staan we stil, slapen we in, gaan we dood.
Zo sterk glijden we door elkaar, dat er niets anders opzit dan lief te hebben, dan leeg te worden voor weer een andere vorm die zijn schaduw over ons werpt, voor weer andere handen die over ons glijden. Groot te zijn voor wat klein is. Stil voor wat opklinkt, of onhoorbaar spreekt, of geen geluid maakt. Sterk voor wat geen randen meer heeft in zijn eigen verlorenheid. Zo genadeloos glijden we door elkaar dat we elkaars genade moeten worden. Er zit niets anders op, of we nu veel of weinig tijd hebben, veel of weinig geld, gezond zijn of ziek, ding of levend lichaam, met een naam of naamloos verborgen. Het bestaan voltrekt zich aan ons allen tegelijk, en in die oceaan krijgen golven randen licht, spoelen scholen vissen, weerspiegelt zich de lucht, en in die horizon staat een boom in de wind, waait een stem uit een openstaande deur, dampen de huizen en de wegen, wachten de mensen pratend of zwijgend aan de verkeerslichten, kijkt het meisje even op in het grootwarenhuis en werkt dan verder, schrijft het jongetje voor de eerste keer in zijn schrift, en alle dingen gebeuren nu, in een tijdloosheid die ontroert, zo breekbaar, zo eenzaam en tegelijk zo omringd en met alles samenhangend, even oplichtend in de leegte, als een tuil die volgende week alweer is vergeten, als vogelstemmen in een veel te grote ochtend, als klein windgeruis 's nachts, als al die lichamen die slapen dan, in bedden die we toch nooit zullen zien, met ademhalingen en dromen die we toch nooit zullen horen. We huilen als we bestaan krijgen, we huilen als we het verlaten, en tussendoor moeten we glinsteren, en glimlachen, zo veel krijgen we en zo weinig is het van ons dat we het met alle handen die we hebben los moeten laten, weggeven, opgooien en achterlaten voor wie na en door ons komt.
Want voor en na komt het verlangen, misschien de grootste vorm van allemaal, de oudste van alle vaders en moeders die ons haalden uit het niets, het verlangen dat hier ooit mee begon, met de eerste blik, de eerste aanraking, dat voor het eerst moest huilen en omkijken, dat voor het eerst moe werd, en stil. Verlangen is alles, alles is verlangen, als het niet zoveel gezichten had zouden deze woorden het kunnen samenvatten, maar nee, elke keer opnieuw, elke keer opnieuw, bij elke vorm een aanraking, bij elk nieuw leven een moeder, het is ooit begonnen, het kan nu nooit meer ophouden. |
||
![]() |
![]() |