3. Aanwezigheid (2) <vorig  verder>
Aanwezigheid: vogels en een blik in de winkelstraat en het lood van de ramen en de kleur die in kleren beweegt, bewegingen die je zou willen aanraken, als ze niet al een lichaam toebehoorden, en de vele vingers met hun lijnen, groeven, schrammen, en de lucht die voor iedereen gelijk is, en alle beslissingen van dit moment, dat nooit rust vindt, nooit stil staat, nooit even achterom kijkt.

 

Aanwezigheid: ik zie je en ik voel je, je rolt over mij, je woorden vliegen op en dalen neer, als late geluiden 's nachts, wanneer iedereen, behalve één, zichzelf is vergeten.

 

Aanwezigheid: dit ene lichaam van mij waar alles samenkomt, de meeuwen die opvliegen en keren, hun grijs is anders dan de nevel die over de huizen hangt, en de motoren van de verte, en de kleine en grote stemmen die door de dunne lucht klinken, en het zoemen van de elektriciteit in mijn hoofd, en de stilstand van oud geworden bomen. Dat ik zo kan samenvallen met aanwezigheid, in mijn adem en mijn ogen en mijn hoofd, het zijn dunne grenzen waaruit ik opgetrokken ben, randen waar alles door stroomt wat in mij gestalte krijgt. Randen waaruit ik overstroom.

 

Als ik aan mijn hart denk dat blijft kloppen. Als ik er aan denk dat ik mijn naam ken, en de vele namen. Het moet vandaag een wonderlijke morgen zijn geweest dat ik weer geboren ben. Waar heb ik geleerd te vertrouwen, in te slapen met een hoofd dat niet meer van mij is, adem te halen zonder na te denken, wakker te worden in een lichaam dat warm is en nog alles weet.

 

Er is een hand op mijn voorhoofd gelegd, en die hand is er gebleven. Er is op mij gewacht, en dat wachten heeft mij alles geleerd. Er is mij verteld wie ik ben, en dat heb ik onthouden. Er zijn verhalen verteld, en die herinner ik mij, woord voor woord, gezicht na gezicht.

 

Al die aanwezigheid die met mij samenvalt. De warmte ken ik, en de beweging. Het moment dat zo kort eeuwig is, en de herinnering. Je gezicht, en mijn gezicht, steeds weer jouw en mijn gezicht. En het tegendeel draag ik, kou en verlamming. De verlorenheid, en zijn verlies. Jou, als ik je vergeet, mezelf als ik me niet meer herken.

 

Zoveel aanwezigheid is in mij samengekomen, dat ik me klein voel en groot. Nooit gedacht dat het ongenoemde zo dicht kon komen. Nooit gedacht dat de leegte zo groot kon zijn. Nooit gedacht dat ze mij uit zoveel zouden herkennen. Nooit gedacht dat mijn huid zo sterk was, mijn hoofd zo groot, mijn handen zo diep. Nooit gedacht dat ik zoveel zou moeten loslaten, achterlaten, vergeten misschien. Dat een naam krijgen eenzaam maakt, en een aanraking verlegen. Nooit gedacht dat ik leegte ben, vloeiende leegte, met een doorschenen rand, met een schaduw, maar leegte, dat het niets mij geeft en terugneemt, dat ik onder mijn ogen verdwijn. Ik adem in en de wereld wordt geboren, ik adem uit en de wereld sterft.

 

Aanwezigheid met een rand ben ik, en ik zie de andere randen rond mij, van de oude vrouw op de weg, van de schaduwen en de stenen, en dit geluid dat geen naam heeft. Aanwezigheid met een rand, en ik sta stil en poog die andere randen te voelen, te voelen wat het is wakker te zijn gemaakt, wat het is te ademen en te bewegen, wat het is dat te weten. Welke geluiden gaan door dat oude hoofd, daar aan de kant van de weg, wat weet het hoofd als het wankelt en bijna struikelt, als het zo lang moet wachten om de straat over te steken. Dat de Grote Beweging geen tijd heeft om om te kijken? Ze steekt over, aarzelend, en ik sta stil en wil weten hoe het is vorm te zijn die oplost in de stroom, klompje warmte dat zo traag smelt, en dat van zichzelf weet.

 

Er is zonlicht nu, de lucht volgeladen met licht, en er hangen edelstenen in de rododendrons, zilveren glinsteringen die met de bladeren wiegen zoals het uitkomt, wind en lawaai en beweging die de wereld overal mee naartoe nemen, en de schaduwen van nu zullen straks ook oplichten. Maar wat is het mens te zijn en te weten dat de aanwezigheid die in jou samenkomt ook weer weg gaat, al stap je nog zo voorzichtig over de stoeprand, al hou je jezelf warm in een mantel van bont, al verwen je dat lichaam met koffie en gebakjes.

 

Als ik lang genoeg kijk, kan ik de scheuren zien in iemand anders lijf? Als ik lang genoeg kijk, kan ik de aanwezigheid sussen, in slaap wiegen? Ik heb de parels wel gezien op de donkergroene bladeren, ik heb de schaduwen wel gezien aan de rand van het grote licht.

Pogen zoveel mogelijk te herkennen, in dit ene moment dat mij is gegeven, pogen zoveel mogelijk aanwezigheid met mijn vinger, met mijn ogen te volgen, pogen te weten wat het is te weten, allemaal samen te weten.

 

Want allemaal samen weten we, er is geen dag die niet wakker wordt met de kennis van de vorige, er is geen schaduw die niet omringd is door het licht, er is geen mens die niet door een andere mens is gezien.