2. Aanwezigheid (1) <vorig  verder>
Herfst en stilte. De namiddag voor mijn raam is doorzichtig water, en de bladeren wiegen langzaam op onzichtbare golven. Dat zulk dun licht zo tastbaar aanwezig kan zijn.

 

Of zijn het mijn ogen die beter hebben leren kijken? Als ik nu kijk, zie ik niet alleen bruingele bladeren en auto's en een van onderen doorlichte grijze lucht, maar ook aanwezigheid. Aanwezigheid, dat is het bestaan dat tot de rand volgelopen is. De laatste bladeren aan hun veel te grote takken. De stilte voor en na het voorbijrijden van een trein. De groenen van de struiken tegen alle gele nuances van buurmans muur. De stroken licht in het westen, waarin de dag verdwijnt.

 

Aanwezigheid, dat is de geliefde herkennen in de geliefde. Ze was al de geliefde, ze is het nu weer. Je kunt nog zo goed proberen haar met liefde en al te bewaren in een woord, je moet haar zien om weer te geloven, om haar tot leven te wekken. Woorden zijn er voor de herinnering, of om de weg vrij te maken. De aanwezigheid is een lichamelijke kwestie, alsof het kijken zelf je oppakt en heel dichtbij het bekekene brengt, alsof het bekekene plots zijn adem inhoudt van jouw aanwezigheid.

 

Aanwezigheid, dat zijn de oude mensen in de winkelstraat, aan de bushalte, in de kroeg, alleen voor een raam of op een bank. Zoals kinderen omdat ze glanzend vollopen met bestaan, zo ontroeren oude mensen omdat ze leeglopen, heel voorzichtig, tot ze, bijna doorzichtig, alleen nog omhulsel zijn voor de grote leegte waaruit ze geboren werden, en die hen nu terugneemt. Wat doe je met randen die zo vol zijn geweest, zoveel hebben gezien en gehoord, zoveel andere randen hebben gevoeld, zachte machines van aanwezigheid? Wat doe je als het bestaan begint op te lossen, water wordt, doorzichtigheid die op een dag onzichtbaar zal worden? Wat met al die aanwezigheden die in ons achterblijven?

 

Nu mijn ouders gestorven zijn, voel ik me soms als een die 's avonds langs de weg staat en weet dat hij niet thuiskomt, voel ik koude in mijn rug, verlorenheid. Hoewel de navelstreng bij mijn geboorte is doorgeknipt, ben ik blijkbaar altijd met hen verbonden gebleven, door hen gevoed, getroost, geleid. Alsof ze me toeknikten dat ik geen angst hoefde te hebben, alsof ze op me zaten te wachten om alle verdriet weg te kunnen nemen. Zij waren het levende bewijs dat het goed was dat ik bestond, al kwam ik onregelmatig thuis, al gingen de gesprekken moeizaam, al verschilden we van mening. Daar ging het blijkbaar niet om. Het was een lichamelijke kwestie, die geen woorden nodig had.

 

Is doodgaan ook een lichamelijke kwestie, hun achterblijven in mijn herinnering, mijn verwarring wat ik aanmoet met die ongrijpbare aanwezigheid die zichzelf in mij bewaart, mijn ogen die van binnenuit gevuld zijn met wat was en nooit meer weg wil gaan?

 

Misschien dat ik daarom zoveel aanwezigheid zie, omdat ik mij bewust geworden ben van de grotere navelstreng die mij met de aarde verbindt, met de blauwe lucht in het raam, met de geluiden in en buiten het huis, met de stemmen die opklinken en weer oplossen, met de nieuwsgierigheid die opwelt als je woorden hoort, met het eerste rijm op hun graf, met al het tegenlicht van deze dag, met de bomen die helemaal verzonken zijn in hun eigen onbeweeglijkheid. Er is zoveel dat toekijkt of ik de angst kan achterlaten, er is zoveel dat op mij wacht en mij in leven wil houden, er is zoveel dat mateloos dicht wil komen. Veel dichter dan ik ooit heb bedacht, vroeger, toen ik niet wist dat het leven gedeeld wordt, dat aanwezigheid overloopt in aanwezigheid.

 

Felle vellen kleur legt het zonlicht tussen de huizen. Licht beeldhouwt leegte tot ruimtes waarin het goed toeven is voor een blik. Dit is een dag met een heel mooi lichaam. Als ik er niet was, zou de dag dan zo mooi zijn? Doet één paar ogen er toe? Zijn er niet genoeg lichamen die zich koesteren in de zon?

 

En toch, het grote is alleen groot door het kleine, door de onnavolgbare aanwezigheid van zoveel vormen en gestalten, die kleur dragen in een waaier die pas zichtbaar wordt als hij opengevouwen wordt. Al die godvergeten scheppinkjes maken de schepping zichtbaar, tastbaar, ontzaglijk. Vogels gooien zwart door de lucht die lucht wordt in hun zwart, visjes zwemmen in elkaars beweging en de beweging wordt hun nieuwe lichaam, glinstering in de glinstering die water heet. Het meisje in de straat heeft glanzend bruin haar en ze is zo mooi dat ze het niet weet. De handen op de foto in de krant zijn oud van werken en indrukwekkend van de tijd die in hen verzameld ligt, van het geloof in dit aardse bestaan. De schoonheid van oude handen.

 

Nu ik voor de eerste keer losgelaten ben, voel ik dat ik nooit losgelaten ben. De handen die mij opvingen, droogwreven, in een warme doek wikkelden, de stem die mij een naam gaf, een klank om in te leven, om mij terug te vinden, om heel dichtbij te komen, die handen en stem hebben mij nooit losgelaten. Ze bleven mij aankleden, mijn haar kammen, mij herkennen, over mijn gezicht wrijven als ik het in de spiegel zag, ook al was ik ver weg, verplaatste ik me op wegen die zij niet konden volgen, liep ik langs telefoons zonder hen op te bellen, vergat ik hun verjaardag, luisterde ik maar half. Ze hadden mij aanwezig gemaakt, opgepakt, eten gegeven, aangekeken en weer laten inslapen, en die liefde heeft mij voor altijd aan het leven gebonden. Het leven, zoals ik het ken, het is een hand op een voorhoofd waaronder ik in slaap val, het is aanwezigheid die bij me blijft, het is warmte die mij vult en die ik mag vullen, dezelfde nieuwsgierigheid die ook dieren mogen hebben, en bomen en planten.

 

Zolang zij leefden, mijn ouders, moest ik mij niets afvragen, was bestaan vanzelfsprekend. Het is wennen nu. Er aan wennen dat ik kind ben van een veel groter lichaam, aangekeken word door een veel groter verlangen. Ik die in slaap viel aan de borst, ik kijk door het raam over de huizen en de mensen, en als een pasgeborene laat ik me vollopen met aanwezigheid, laat ik me aanraken, zoals toen, de allereerste keer, en voor altijd.