10. Een filosofie voor de winter <vorig  verder>

Het licht vloeit weer uit de lucht, de lucht vloeit weg uit een grijs dat alleen maar niets is, een gat boven de daken. Gisternacht een zwarte sterrenhemel, en het huis aan de overkant van de straat hing op aan het zwart, een mand waarin mensen sliepen.

 

En met het licht en de lucht wordt mijn vel weer dun, alsof er tocht komt van alle kanten en van nergens. Met de jaren word ik bang van de winter.

Niet van de kou, de regen, maar van het zieke licht.

 

Ook de dingen worden dun, zie ik. Bomen met potlood geschetst en dan achtergelaten in de ruimte. De gevels van huizen tegen het grijs, dunne platen. De mensen doen twee kleren boven elkaar aan, maar hun gezichten bewegen niet meer.

 

Vanwaar dat leeglopen, denk ik soms, tot er zo'n onduidelijk verlangen naar onduidelijkheden overblijft. Achtergelaten, maar door wie. Verongelijkt, maar waarom.

 

Die kracht die in en uit mij kan lopen, ze blijft mij verbijsteren, alsof mensen niet alleen van licht en lucht leven, maar ook van een kracht die hen gegeven wordt en even zo goed weer weg kan gaan. Zomaar, lijkt het, en je hebt een leven nodig om het verschijnsel te bestuderen, laat staan dat je het helemaal zou begrijpen.

 

Maar je leert wel iets met de jaren. Bijvoorbeeld dat teveel onbeweeglijkheid niet goed is. Wij zijn geen bomen, die al veel langer en veel beter hebben leren wachten op die vloed van voetjes en handen en wuivende kleuren die nu zijn opgelost. De stoïcijnse adel van een boom, maar ook zijn grenzeloos vertrouwen.

Nee, er komt een moment dat je iets moet doen, je rug rechten en nog eens je gezicht wassen, een vers hemd en de straat op, op zoek naar waar de wereld overschot heeft om te delen. Ons hebben ze leren lopen, dus moeten we lopen. Lopen en kijken, het is ongeveer hetzelfde, we stammen af van vechtertjes die niet zaten te wachten tot de levenskracht vanzelf langs kwam.

 

En je leert mettertijd nog iets. Dat het kleinigheden zijn die je kunnen laten vollopen. Grote kleinigheden, maar je moet ze zien. Je komt binnen bij je collega's, en ze grijnzen van voldaanheid als ze je zien. Lijkt weinig, is veel, misschien zelfs een bewijs van een geslaagd leven. In elk geval voldoende om een dag voort te kunnen. Want ook dat leer je: zo'n volgelopen moment is goed voor een hele dag.

Soms legt iemand, terwijl hij spreekt of uitlegt, zijn hand op je arm. Dan klapwiekt het moment, ineens helemaal vol. Of iemand kijkt je wat langer aan, van die blikken die verliefdheid doen ontstaan. Of het is stil rond je, en je hoort plots de kleinste wind, alsof zich de zachtheid zelf in je oor legt. Of je ziet een kind, en dat marmeren licht op dat gezichtje is de glans van alles wat nieuw is. Een geheim, ja, maar zo dichtbij, en eentje dat leert dat alles herbegint.

 

De winter, ik wil vergeten dat ik er ben, me onderdompelen in wat maar levenskracht over heeft, de beetjes bijeenleggen tot er weer overschot is, ik wil samenzitten en grijnzen, alsof daarmee alles ooit begonnen is. Het is in elk geval een activiteit die veel ouder is dan de kantoren die we bouwen en de reclames die we maken. Natuurlijk, er zit veel beschaving in kantoren en reclamespots. Maar beschaving is niet altijd kracht. Kracht, dat is samen iets drinken, niet voor niets zo'n symbolische daad. Kracht, dat is woorden uitwisselen, louter voor het plezier van elkaar aan te raken. Kracht, dat is elkaar leeg maken en weer vol laten lopen. Kracht, dat is ontroering. Dat de grote hand die het leven loslaat, ons nog 'ns wil aanraken. Er zijn bibliotheken over geschreven, over dat leven, en nog begrijpen we zo weinig. Maar we delen het wel. Dat delen, dat is de ontroering.

 

Ontroering is daarom spontaan, niet langs omwegen van intellect of studie, luisteren is al genoeg. Ontroering is lichamelijk, zoals dichterbij komen lichamelijk is, alsof het lichaam voor ons wil samenvatten wat we met woorden en gedachten zo moeilijk kunnen. Ontroering is onverwacht, zoals alles wat we krijgen onverwacht is. Ontroering is blijvend, zet zich vast in ons geheugen, kleedt ons aan zoals wij de wereld aankleden. Ik ken ze nog, veel van mijn ontroeringen. Ontroering is overal. Zie de rijkdom in dat ouder wordende lichaam daar aan de hoek van de straat. Achter die vingers, achter dat gezicht zit een wereld van ontroeringen waar we ademloos naar zouden kunnen luisteren.

 

Maar het zien van dit oude gezicht maakt me weer stil. Moet ik ook de winter niet leren begrijpen? Soms loopt de levenskracht zo afgrondelijk diep weg, dat een mens bang wordt, heel bang. Depressie zegt men, maar wat is een woord. Wat is het als een land uiteenvalt in oorlog. Als geliefden doodgereden worden op straat. Er is zoveel dat ik niet begrijp. Er zijn winters die niet lijken over te gaan. Komt de ontroering daar nog langs? Geldt daar nog dat mensen als vanzelf hun kracht kunnen delen, gewoon door bij elkaar te zitten en te kijken en te luisteren?

 

Gisteren Lieve zien slapen op de bank en me voorgesteld hoe het zou zijn als haar lichaam zonder beweging was, en me voorgesteld hoe ik dan zou kijken, zonder beweging.