1. Zondagmiddag <vorig  verder>
Zondoorschoten middag. Alsof er iets was weggenomen van het land, dat daardoor niet alleen heel groot werd, maar ook heel dicht kon komen. Namiddag die je aanraakte, met de voorzichtigheid van groot dier.

 

En dan gaan de mensen uit zichzelf bewegen, uit louter plezier door de wereld glijden, op de fiets, te voet, met bewegingen van handen, met hoofden die opkijken en iets zien. Spelelichaampjes van grote kinderen, waarin de wereld meerolt, als om nog 'ns uit te proberen hoe goed alles in elkaar zit. Zo'n middag.

 

Morgen maalt het grote wiel van afspraken en plannen, van taken en geboden, en dan lopen we weer hijgend rond, dan zit de wereld in ons hoofd in plaats van in onze ogen en handen, in onze oren en tong en neus. Hoeveel keer per dag breken en bouwen we hem af en op, de wereld. Al die werelden in ons hoofd.

 

Daarom was er veel liefde, deze middag. Liefhebben gebeurt niet in ons hoofd, maar met alle zintuigen. Dan voelt een mens hoe diep hij tegen zichzelf aan kan leunen, in zichzelf weg kan zinken. Dan voelt hij de omarming van een lichaam dat wezenloos zorg draagt, als een raam voor al dat zonlicht.
En de geuren die ons in de neus vloeien.
En de wind in de hals.
En de warmte.
En de geluiden van de dag.
En het licht, het eindeloze licht.