5. Merel <vorig  verder>

Op de tak voor mijn raam zit een merel.

Ziet hij mij? Ik weet het niet, maar minutenlang kan ik hem gadeslaan: zijn diepzwarte lichaam, als een gat in de omgeving, was er niet die gele bek die met hem meebeweegt en die zelf een prachtige boog heeft.

Af en toe geeuwt hij.

Soms slaat hij zijn vleugels even open, alsof ze mogen drogen, of beter in de plooi moeten gelegd. Of misschien is dat wel een tic van hem.

Hij heeft in dat zwarte kopje een kraal zitten die zeer aanwezig is, zeer ver lijkt te kijken. Misschien ziet hij mij inderdaad scherp, maar weet tegelijk met dat verstand van hem dat ik niet gevaarlijk ben, enkel wil kijken met mijn kraaloogjes. Misschien verbaast hij zich wel over het gat dat ik maak in de omgeving.

Soms legt hij zijn kopje opzij en dan boort dat oogje zich de lucht in boven hem. Hoe indringend zo'n kraaltje van twee cent toch kan kijken, ook al is het in de oneindigheid.

Een vogeltje dat blijft zitten, het is ongewoon. De regel luidt: hoe kleiner, hoe vlugger weer weg. Je hebt er, mezen bijvoorbeeld, die stilstaan en wegvliegen tegelijk.

Maar deze kleine hier blijft zitten.

Moet hij wat bekomen? Heeft hij een najaarsdip? De winter zal nochtans niet op zich laten wachten. Wacht hij op z'n vriendje, als merels dat al hebben? Mediteert hij, op een dunne tak tussen hemel en aarde? De vragen worden dringend. Ik wiebel wat, van mijn ene op mijn andere voet.

Hij hopt naar een andere tak, draait zijn rugje naar mij, wacht even en vliegt dan weg. Echt weg.