4. Zomerglans <vorig  verder>

Van overvloed is de zomer traag. Vreemd seizoen. Alsof er geen tijd, maar alleen aanwezigheden zijn, en elke aanwezigheid groot is in het licht. De wegen in het land, en de huizen aan die wegen, ze zijn er altijd geweest, hangen niet af van mijn stilstaan en kijken, of voorbijrijden en vergeten. De mensen en kinderen op het plein, de vogels in en uit de lucht, de stenen.

Dat is een vreemd gevoel. Dat er zoveel is. Ook als ik er niet meer ben.

Het lijkt een eeuwig tekort, in een leven dat zich elders afspeelt, maar zo is het niet. Ik denk dan: het licht ziet alles voor mij, een gedachte die ook dankbaar is, zoals je dat hebt bij goede vrienden. En ik sluit mijn ogen en kijk naar binnen. Ook mijn ogen hebben hun licht, en wat ik gezien heb straalt verder in mijn hoofd. Zoals de zon schijnt door mijn oogleden, zo licht wat ik gezien heb op als ik er aan denk.

 

Velen zijn dankbaar voor het licht. Mijn vriend de fotograaf kijkt naar de soorten licht, geeft ze bijna namen. Er is een merkwaardige concentratie op zijn gezicht als hij zijn toestel openzet. Ik ken een mooie oude vrouw, die brengt 's morgens als een Indiaanse een groet aan de zon. Ik ken er die blij zijn dat de dag begint, om te kunnen opstaan uit het gekwel van de slapeloosheid, duisternis zonder diepte en toch eindeloos diep. Mijn vrouw zegt: heb je die lucht gezien, en is verwonderd dat er weer een nieuw schilderij ligt te drogen. Ik kijk naar de glans op gezichten, en handen en armen. Hoe mooi de glans op gezichten, en hoe weinig zien we als we ons tevreden stellen met naam en opdracht van de persoon voor ons. En van die glans heb ik de schoonheid van schaduwen geleerd. Dat het licht niet zonder het niet-licht kan, ook met zoveel nuances... Zichtbare, zelfs tastbare nuances, al mag een mens niet zomaar met zijn vinger langs alles strijken.

 

Van overvloed moeten we zelf traag worden. Met een hoofd dat al die aanwezigheden heeft gezien, groeit ook het verlangen, want je houdt niets vast. En dat verlangen niets anders is dan de herinnering die wel met zijn vinger langs ons strijkt. Je houdt niets vast, maar niets gaat over. Alsof, met het ouder worden, dat grote leven zich steeds meer in ons ophoopt, in ons hoofd, in ons lichaam. Niet elders, maar zo dichtbij dat we maar de ogen te sluiten hebben en we zien weer.

 

Van overvloed moeten we zelf traag worden. Vandaag schijnt de zon. Morgen schijnt de regen. Alles schijnt met dat diepe mysterie dat het zichtbaar heeft gemaakt, en alles vraagt om gezien te worden. Smeekt soms om gezien te worden. Ik denk aan het gezicht van de vrouw die haar zoon kwijt is. Smart, denk ik, maar eigenlijk moet ik zwijgen en kijken, kijken hoe liefde schijnt als ze machteloos is, wanhopig en verloren. En dan die liefde meenemen en bewaren.

 

Kunnen we door te bewaren genezen? Elkaar genezen? Ik hoop het. Anders schreven we geen geschiedenis. Anders haalden we geen herinneringen op, tot vreugde van wie er bij zit. Tot we glanzen. Als herinneringen weer kunnen doen glanzen, dan is dat bewaren niet tevergeefs geweest. Misschien is dan, tegen de wanhoop in, niets onherroepelijk.

 

Maar ik weet het niet. Achter deze verlangende woorden zit altijd nog de angst: wat als het onvermijdelijke ook bij mij toeslaat? Wie zal dan mijn zwakke schijnsel in zijn ogen nemen, in zijn hart, en bewaren wat ik zelf niet meer kan?