3. Engelen, Paaszondag en Gent <vorig  verder>

Het kleine vrouwtje aan het postgebouw, met haar schouder scheef en haar gezichtje bleek glimlachend, ze vroeg iets over het kunstwerk dat hier zou staan maar niet stond, en niet alleen haar ogen maar haar hele persoon waren zacht en onuitgesproken licht, alsof ze zo dadelijk zou wegvliegen, of misschien doorzichtig worden en opgaan in de lucht, zodat de stervelingen minder zouden schrikken.

Ze vroeg of we de kunstwerken die we gezien hadden, mooi vonden, maar weer zo licht, alsof ze alles al wist. Er zijn er die zelfs verlegen mensen aan het praten krijgen. Er zijn er die iemand doen overlopen.

We wezen haar de richtingen om van alles te zien, en ze glimlachte dankbaar. Ze was niet van hier, antwoordde ze op mijn vraag, maar van waar zei ze niet. Het regende wat op de Koornmarkt, miezer, en ze had geen kap aan of paraplu bij. Het was zondag en Pasen. De dag was dun geworden van laat namiddaggrijs.

's Anderendaags hoorde ik op de radio een programma over engelen, grote mensen en kinderen spraken zonder hun naam te noemen over hun geloof in wezens die af en toe een arm op hun arm legden. Ik moest aan de kleine vrouw denken, hoe dicht ze gekomen was, zoals een hand warm is als je hem op je voelt, zoals een omhelzing je helemaal omvat.

Als twee of drie mensen met elkaar gaan spreken in de stad, kan een wonder gebeuren. Misschien dat er niets van overblijft, maar de warmte zal de herinnering hebben aangeraakt. Voedsel voor jaren is een warme herinnering.

Soms, op een zondag dat het Pasen is, zijn de dingen anders. Dan is een kleine vrouw een engel van lichte zachtheid, zijn wij twee wezens die al weten omdat ze gezien hebben en die de weg kennen, staan aan de hoeken van de stad beelden die alles hebben van een leven dat we herkennen, zoals ook wij maar even langskomen en verdwijnen. Er was een beeld van Muñoz, een Chinese mandarijn, opzij in een etalage. Soms ademde het beeld uit tegen het glas. Meer bewijs dat het leven overal is, hadden we niet nodig. Het water in de Leie stroomde, de lucht was bewolkt maar met gaten in, de stenen bewogen op hun eigen onzichtbare manier, en de mensen praatten met elkaar zoals ze dat al eeuwen doen, dezelfde woorden en klanken, dezelfde stemmen.

We reden naar huis, sneller allicht dan in de eeuwen daarvoor. Maar of dat iets is om te vieren? Integendeel. We hadden een namiddag doorgebracht buiten de tijd, met engelen en torens en ademende beelden en lucht. Wie buiten de tijd kan stappen, onthoudt veel beter, merkwaardig is dat. Voelt veel beter de aanraking van al die handen die zich ongestoord op onze schouder leggen.