9. Stukjes november <vorig  verder>
De hulst in buurmans voortuin is bijna een boom geworden. Daarin zitten nu twee merels elkaar achterna. Ze laten zich als een steen vallen en vinden dan zomaar een tak. En wat de een doet, doet de ander.

 

Er is een ander vogeltje dat naar de tak toevliegt, in een mooie opwaartse boog, even blijft hangen, en dan landt. De Michael Jordan onder de vogels, ware hij niet zo'n dwergje. Michael Jordan als dwergje dan, even in de lucht hangen en dan dumpen.

Zo'n vogel is eigenlijk een zeeman, moet constant het gevoel hebben dat het luchtruim rond hem tekeer gaat als een volle zee. Zoals de merels daar op hun tak op en neer dansen, golven wind waar ze met hun lichaampje net boven blijven. Worden ze nooit dronken van dat eindeloze wiegen? Je wordt zeeman geboren, schijnt het.

 

En dan komt de regen. Lange, evenwijdige halen, als troepen die de straat schoonvegen. De lucht, die daarnet nog alle kleuren grijs en blauw had, is na hun doortocht verpletterend licht en leeg.

 

Het dak van buurman, een openluchtmijn waar de grijze leien liggen te wachten, glanst. November is een vreemd seizoen. Dan glanzen de stillen, die je anders nooit hoort. De kerselaar heeft een dun oranje hemdje aan, met zelfs in de regen een zachtzijden licht. Het wordt wat nat, hangt wat, maar met een druppel aan het uiteinde. Ook met licht.

 

Waar zijn de merels?
Vogels floepen aan en uit, alsof ze een bestaan van zichtbaarheid en onzichtbaarheid hebben, een talent waar mensen jaloers op zouden moeten zijn. En ook de kleine Jordan is opgelost.

 

Ik moet mij tevreden stellen met het oude mos dat op de takken ligt. Als de grootbewegers het laten afweten (mensen liggen nu op hun rug te slapen, of lopen door gangen met nieuwe papieren), dan maar het fijne werk. Mos, mos, hoe lang is het geleden dat ik nog zo'n stil iemand zag. Je groen is van een doorschijnend licht. Je hebt zelfs geen eigen vorm, net als licht wordt alles vorm in jou. Waarde heer mos.

 

Maar als in oude theaterstukken wordt er een nieuwe achtergrond opgehangen, zie ik. De wereld staat niet stil. Er zijn wandelaars, en die gaan voorbij. Fietsers fietsen. En als ik goed luister hoor ik de motoren van de schepping ronken, dat immense lichaam dat ons in leven houdt.

 

In de bussen rijden mensen die straks dood zullen gaan. In de scholen luisteren kinderen naar het verhaal van de dag, en dan schrijven ze op wat ze hebben gehoord. De meester zal hen niet bedriegen, dat geloven ze, maar zal hij hen niet vergeten? Wie in de straten loopt, weet dat hij niet alleen moet leven, dat het leven niet zo vreemd is als iedereen meedoet. De bakker heeft brood gebakken. Brood is pure zingeving, en zo hoort het ook. Net als een nieuw paar schoenen, en een mixer, en een krant. Er is veel dat we moeten begrijpen, maar dat begrip hebben we al.

 

In de ziekenhuizen wordt veel tijd geproduceerd, tijd die ze elders goed kunnen gebruiken, als men zich afvraagt waarom er gewerkt moet worden. Dan denkt men aan de zieken in hun witte kamers, en alles wordt weer duidelijk.

 

Hetzelfde voor de oude mensen die op de bus wachten. Als het licht zo zacht wil glanzen in de huid, dan moet de huid een kostbaar ding zijn, goed om lang te bewaren. Dan kijken de kinderen naar oma en opa, met hun grote ogen waar het licht als vanzelf uit komt, en dan begrijpen ze dat november niet een maand is, maar een staat van dienst. De patina van volhouden, niet opgeven. Kinderen zullen nog vaak niet moeten opgeven.

 

Zichtbaar en onzichtbaar, ook iets voor oude mensen. Soms wordt de grens te vaag, dan kunnen oude mensen maar beter weggaan. Dat doen ze ook, en ze nemen dat hele ijle licht, dat eigen is aan schemeren, mee in hun gezicht. Wie het gezien heeft, vergeet het toch niet.

 

Onzichtbaar worden is een hele industrie. De bladeren vallen, blijven liggen en blijken volgend voorjaar opgeruimd. Dringen ze als regen in de grond? Waar in de grond zijn de lichamen van mijn vader en moeder?

 

Wat kunnen de levenden meer doen dan meehelpen aan het graf. Daarom wordt er geploegd, het zwarte vlees van de aarde. Als een oorlogsfotograaf een sterke foto maakt, dan denk ik: dat graf hebben ze toch al, de lijken, de verlorenen, de naamlozen. En als ik mijn ogen sluit, dan probeer ik ze te zien, te horen, met hun gezichten en hun stille glans, al weet ik dat mijn hoofd te klein is. Maar je mag toch wel aan iemand denken, zelfs al weet je niet wie? Misschien begrijp ik dan hun staat van dienst als mens iets meer. Iets meer. Het grote waarom is een eindeloos volgehouden vraag.