![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Dat een zomer zomaar kan natregenen tot op de huid, als een bedelaar voor wie geen plaats meer is, mijn huid doet er zeer van. Waar is de warmte? Ze moet toch ergens zijn? Zo zonder afscheid er van onder, het geeft een vreemd gevoel van verlatenheid. Ik schrik als de tocht me om de oren slaat en denk aan de avonden dat de wind warmte was en omgekeerd. Ik schrik als de klamheid onder de kleren kruipt en denk aan de dagen dat mijn huid mij kleedde en ik dorst had. Drinken is iets van de machine voelen die je in leven houdt. En je komt 's avonds thuis en het is donker. Niet meer dat langgerekte nietsdoen dat eeuwig lijkt te duren, dat leven dat zichzelf wiegt tussen ander leven, om geen andere reden dan de beweging zelf. En in de nacht bewoog het leven nog. Lichamen zijn in zomernachten zo licht geworden dat ieder ze door zich voelt stromen. Je zit en je kijkt en je zegt niets, en alle verhalen van de wereld hoor je, en alle handen van de wereld raken je aan. Ik ben een godenkind tijdens zomeravonden. Maar een godenkind wordt lui, vraagt zich niets meer af, spant zich niet meer in. Hoogstens je hoofd even draaien en je glas naar je mond brengen en meer van die uiterst eenvoudig geworden levensdaden. Ik maak niets tijdens de zomer, ik moet teveel rondlopen en kijken, mijn oor tegen stenen muren leggen, onbekende klanken proeven, gezichten betasten om ze nooit meer te vergeten, nog eens ademen van de geur die uit straten en huizen opstijgt. Blijkbaar heb ik de tussentijd nodig om weer wakker te worden. De tussentijd wanneer de warmte op zijn einde loopt, de tussentijd van regelmaat, van werken en je brood verdienen, van op tijd opstaan en gaan slapen. Iets moet aflopen om erover na te kunnen denken, iets moet overgaan om het te kunnen afstaan, weg te geven. Tussen zuiverheden zit de onzuiverheid die ons mensen gaande houdt. Ik hou er wel van, want ze maakt mij onrustig, ze scherpt mijn kantjes, ze dwingt mij om te werken, ze laat me nooit los, net zomin als de tijd dat alles volkomen lijkt. Zondag laatst waren bij een oude oom, de enige die ik nog heb, reus van een man maar vermagerd tot op de rand van de dood. Op naar de put, zei hij, en hij grinnikte er om. En tegelijk was hij droevig om het grote leven dat hem gegeven was en dat nu bijna voorbij was. "Ja va, het staat ons allemaal te wachten," zei zijn dochter, en ook dat was van een onsentimentele helderheid die mij ontroerde. De kachel was warm gestookt, buiten woei een kwaaie wind en sloeg de regen, en in de lucht speelden wolkenvlagen in blauw en grijs en zwart haasje over met een snelheid die ik nog nooit had gezien. Soms kwamen vlekken zon meedoen en zou je gedacht hebben dat het weer zomer was. Zoals nonkel Oscar, als hij lachte in zijn uitgemergelde gezicht, zo jong werd als zijn lange leven. |
||
![]() |
![]() |