7. Wolken: een kleine studie <vorig  verder>

Ik krijg een aquarelletje van een vriend, met wolken op. Zijn vrouw had gezegd dat ik vaak over wolken schreef, ze waren in Frankrijk, zij aan het lezen, hij aan het schilderen, in een grot op een helling, met hun voeten aan de afgrond en hun ogen aan een oneindigheid van vlakte en lucht. Ik probeer het me voor te stellen, dan lijkt het of ik er ook een beetje geweest ben. Vakantie is je hele lijf meepakken, zodat het dromen veel intenser wordt.

Klein schilderijtje, maar ik ben er blij mee. Want ik zie ze graag, de wolken, altijd gehad, van toen ik klein was en op mijn rug in het gras ging liggen, om in de witte gebergten te klimmen die daar boven mijn hoofd stil leken te staan. Je doet wat als kind, beklimmer worden van wolken.

Die koninklijke wolkenmassa's had ik het liefst, ik was kind van de polder en daar kon je natuurlijk ver kijken, zag je ook nog het blauw waarin ze dreven, en de horizon die hun bestemming was. Later, op weg in Spanje, zag ik tot mijn vreugde dezelfde verten liggen, zij en ik kind van één verte die de oneindigheid zelf is. Makkelijk verlangen, als je zo ver kunt kijken.

Naar de wolken kijken was iets voor het hele lichaam. Soms, als ik daar in het gras lag, was het zo stil dat ik een vliegtuig kon horen duizenden meters boven mij, en dat ijle geronk was ook stilte, maar anders. En ik kon de wind horen die voorbijkwam, en ik kon horen als hij er niet was. Wind, broer van de wolken, en even vreemd. En soms kon ik de wind ruiken, het parfum van zijn geuren. En ik voelde de ruimte boven mij, het gewicht van lucht die alles zichtbaar maakt, ook de sterren 's nachts.

Want 's nachts was er geen verschil met overdag. Waar ik kind was, kon je het diepe velours van de hemel nog zien, voelen, ruiken, misschien zelfs horen. Als de maan scheen, zag je de wolken in tegenlicht, niet zo groot als overdag, maar veel mysterieuzer. En was de hemel open, zoals men zei, dan waren er de ongrijpbare sterren. Een klein mensenleventje dat sterren mag zien, er is veel dat mooi is, maar dat is toch wel van het mooiste. Zwart, bijna tastbaar velours, de onophoudelijkheid van al die sterren daar net boven je hoofd, en de koelte van de wind, die er is en dan weer niet.

Ooit hield ik een luchtenboek bij en noteerde een tijdlang de luchten die mij in de drukte van volwassen mens toch nog opvielen. Luchten als een bevroren waterplas omgekeerd opgehangen, met barsten en luchtbellen, en de strepen van de schaatsers van gisteren, die straks, als ik genoeg keek, wel weer voorbij zouden komen, ook omgekeerd. Wangroze luchten heel vroeg 's morgens. Operaluchten in zwaar morgenblauw en avondrood, wanneer de kleuren strepen en uitwaaieren in gebaren van opgeheven armen. Loden luchten, met, als je de weerzin overwint, zoveel nuances in het grijs. Wolken met zonneranden in. Aquarelluchten van heel licht grijs met vegen blauw in, of omgekeerd. Nescioluchten: lucht als een aureool om bomen en huizen. De lucht weerspiegeld op buurmans gevel. Onweersluchten. Suikerluchten. Schapenluchten. En de lucht waarin je tevergeefs de leeuwerik zoekt, dichtgevloeid met licht.

Zovele luchten over ons kleine land zonder bergen. Ze hangen in de lucht, onze bergen. En onze grote rivieren, ze stromen door het heelal.