![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Vrienden vertellen hoe hun oudste zoontje, vierde studiejaar, leest. Met welk een overgave en intensiteit. Hij kent het verhaal van Arthur, maar als de koning sterft, huilt hij smartelijk, met alle verdriet van zijn kleine lichaam. Inleving is telkens weer een nieuw gevoel, als passie. Dat het verhaal bekend is, doet er niet toe. Het gaat niet om weten. Het gaat om iets anders. Ik ben dat kwijt, denk ik dan, die kinderlijke vrijheid om mee te vliegen, om mezelf los te laten. Waar ben ik nog eens overvallen geweest door wat ik zag of hoorde, meegenomen zonder dat ik het wist, pas na een tijd mij daarvan bewust wordend? Hoe ouder hij wordt, hoe meer een mens de conservator wordt van zijn eigen museum, kennis en ervaring genoeg, maar daar ook alles mee metend en wegend. Een kind drijft door de wereld, en waar het tegenaan botst, daar kijkt het naar met die ogen die nog alles moeten zien, en ook alles kunnen zien, al weten ze het niet. Onbevangenheid noemen wij dat dan, die de woorden kennen en daarmee het gevoel kwijt zijn. We reden door midden Italië. Geen land dat meer museum is, onder een blauwe hemel met wolken. Waar waren de momenten dat de verwondering mij deed opvliegen? De bijen bij Camaldoli die het bos optilden met hun gezoem. De kleuren van Rome als ik tinten en patina's begon te tellen. De Piano Grande in de Sibillijnse bergen: een plateau halverwege de hemel waar ik mocht rechtstaan, een groot mogen was dat. Fresco's in de crypte van San Pontiano (Spoleto): twee vrouwen bij het kruis, radeloos stil. Als een mens hier langer bleef, kwam de droefheid op hem liggen. Maar in het tweede gewelf de engel, die zijn vleugels spreidt in het diepste rood van deze dag, en mij aankijkt. En in Gubbio zag ik mijn vader. Het was in de late middag, hij hield zijn hand boven zijn ogen en keek omhoog naar iets wat ik niet zag. Ik maakte een foto van hem en de afhellende straat, toen was hij weer weg. En in Ravenna, in San Vitale, zag ik Theodora. Ze was mooi, en ze wist het, en de stenen wisten het. Mijn ogen kijken dan, en laven zich aan die schoonheid, maar verloren zijn ze niet. Tegenover het meer van de grote mensen, de vele dingen meer die zij mooi hebben leren vinden, staat dat er iets van de intensiteit afgaat. Misschien kan het niet anders. De hand die ons leidde en beschermde, is weg. We botsen niet meer willekeurig tegen de veelheid van het leven, we ordenen en regelen nu zelf, we lezen en plannen, we zoeken en vinden. Wil ik de beeldhouwwerken van Bernini zien in Rome? Ik zoek en vind ze ten slotte, en zie hoe indrukwekkend ze zijn. De hand van de meester. Maar als kind was ik nu onverwacht, in laat namiddaglicht, oog in oog komen te staan met leven dat voor altijd gevangen is, maar toch leeft, en had ik niet begrijpend maar betoverd toegekeken. Tot mijn ouders zouden geroepen hebben dat ik voort moest maken. Of misschien had ik helemaal niets gezien, liep ik dromend voorbij in de warmte van een Romeinse dag. Maar zoeken is even spannend als vinden. Zoeken brengt een ander vinden teweeg: bedachtzamer, stiller, trager. Als ik lang kijk, maak ik vanzelf een foto. Als ik lang kijk, begint ook dit moment te glanzen. |
||
![]() |
![]() |