3. Ouder worden <vorig  verder>

Dunne regen. Ver autogeraas. Een lucht die schamele dekens van blauw over zich trekt. Dit hoofd dat zich zijn eigen moeheid herinnert.

Dat wat weg is, niet weg is. Ik word uitgesleten waar ik bij sta, steeds dezelfde bewegingen om mijn huid, tot de tekening zichtbaar word van een heel leven. Sommige dingen moeten gebeuren. Dit leven, het zal verdampen, geluidloos opdrogend bestaan, dat licht geeft voor nieuw bestaan. En als ik nu naar buiten kijk, in dit onooglijk moment, weet ik dat wat ik zie bij mij binnenkomt om te blijven en weer weg te gaan.

Met ouder te worden leer ik leven met het licht en donker van tegenstellingen. En tussen dit bestaan en onbestaan drijf ik, vertrouwen opbouwend dat er zoiets zal groeien als een eenheid van tegendelen, als een ander weten dat weten en niet-weten bij elkaar houdt. Het gevoel dat kinderen warm maakt als ze hun vader en hun moeder bij zich hebben.

Het is een avontuur, het leven, een groot verhaal. Elke dag opnieuw kan de wereld veranderen, door mij en met mij. Ik kan een gezicht zien dat mij nooit meer loslaat. Ik kan vallen en voelen dat ik toch nog leef. Ik kan ademen, en evenzeer voelen dat ik leef. Dit bestaan is groot, en kijkt, en vraagt dat ik terugkijk. Het legt zijn hand rond mij, houdt mij warm, wacht op mij. Als ik stil word en luister, hoor ik hoe mijn lichaam mij bewaart, elke keer opnieuw.

Soms voel ik het water over mij, glijdend tegen alles alsof er geen ruimte meer over is. Soms spannen mijn spieren zich van vreugde.

Soms is er moeheid, soms is er de volheid van zien en voelen en horen. Een volheid die komt en gaat, maar die ik bewaar, zoals een mens bewaren kan, met de gulzigheid van kinderen, met de glimlach van oude mens.

Dat wat weg is, niet weg is, en toch weg is. Dit is een dag als toen, toen mijn moeder opstond en glimlachte door haar tranen. Ze voelde in haar rug de warmte van stenen die niets zeiden maar haar ondersteunden, en ze keek naar de dieren die naar haar keken, en ze hoorde hoe de dag ook dicht kan doen wat open is gemaakt, en hoe de slaap als een zware deken op je gaat liggen, tot je vergeet dat je ooit bestond.

Een vreemde wereld, zoals we in en door elkaar lopen, elkaars bestaan oppakken en verder dragen, alsof het leven niet van een maar van allen is, alsof de dood het uitstel is dat nooit ophoudt. Ze is dood nu, mijn moeder, en ik draag haar lichaam in mij, haar stem, de avond die zij zag, en die elke avond is, in de beweging die alles in zijn handen houdt, en wiegt, en wiegend in ons achterlaat.