Ongenoemde, als ik op een avond
De tram neem door de stad
Gaan door mijn buik de vele levens
Die ik niet heb gehad.
En als ik door het raam kijk
Met vuisten in mijn rug
Dan weet ik weer:
Ik keer nooit meer terug.
Ik kan alleen maar zien
Hoe alles heeft bestaan
En ik daar bij mag zijn
Met adem en een naam.
Ik kan allen maar slijten
Van blikken en van licht
En dunner worden in
Mijn denkende gezicht
Tot ik zo dun geworden ben
Dat de spiegel in mij breekt.
Hoeveel heb ik van u gehouden dan,
Van al wat op u leek.
|