8. Ongenoemde (1)
<vorig  verder>

Ongenoemde, vreemd dat ik u noemen wil
Die geen gezicht hebt en geen adem om te voelen
Geen vingers die verslijten in de tijd
Zoals de tijd dat doet, met kleine halen,
Geen stem die klinkt, denk ik, al komt de wind
Dichtbij, en dichterbij als ik vergeet
Dat ik het ben die luister.

 

Ongenoemde, er is een holte in de wereld
Waarin ik loop en lopend wrijf ik mij
Heel langzaam en heel lichtjes uit. Zovele
Kleine sporen van geduld. Draag ik mezelf
Nu ik voorgoed begonnen ben
Of draagt de lucht mij, zwijgzaam, als
Een moeder die een haarlok goed legt?

 

Ik heb heel weinig dat van mij is.
's Morgens word ik wakker van het licht.
Ogen leggen vingers op mijn ogen
En nemen mij voor altijd mee, gezicht
Om aan hun wang te liggen. Stemmen
Geven mij hun woorden en handen
Wrijven mij dan dicht.

Ik heb heel weinig dat van mij is
Maar zoveel legt zich aan mijn wang
Om niet alleen te liggen.
Daar word ik dun van.
Want stromen doet het als door glas,
Dat ook geen glas meer is
Maar lang vergeten vorm.

 

Er is zoveel dat ik mag zien.
Er is zoveel dat ik mag horen.
Er is zoveel dat zegt: raak mij toch aan
Voel toch hoe oud ik ben.
Ik wil bestaan en niet bestaan.
Ik heb dit niet gekozen
Maar iets anders ben ik niet.


Ongenoemde, al die vormen.
Als bladeren waar
Iemand soms naar kijkt.
Dit is ontelbaarheid, dacht ik als kind.
Zo wist ik weer hoe groot de wereld was
En kon ik inslapen, een raadsel
Aan mijn wang.

 

Je kan als kind
De wereld niet ontlopen.
Ontelbaarheid, met druppels aan de rand.
Ontelbaarheid, wat er komt
En nog moet komen.
En hoe alles wiegen wil
Als een hand.

 

Maar later zag ik de mensen in hun straten,
Hun auto's en de stenen in hun stad.
Ik zag ze staan en praten
Ik zag ze kijken, wijzen en wist
Dat ik nooit leren spreken had.
Mensen grijpen in elkaar, zo zijn
Hun schouders, zo zijn hun gebaren.

 

Daar werd ik dier van
Redeloos bewegend als een hond,
Hunkerend alsof ik nooit
Geboren was. Al die gezichten
Met hun ogen, ik wilde ze dichtbij
En dichterbij, ik wilde ze in mij
Tot ik niet meer bestond.

 

Dat verlangen. Je weet als kind niet dat
Je leeg bent, een kind loopt vol
Zoals de dag, zoals de nacht.
Zo is de wereld.
In elke nieuwe vorm komt ze tevoorschijn.
Zo betekenisloos.
Zo onverwacht.

 

Een kind draagt in zich
Alle leegte van de wereld,
Alle vormloosheid omringt
Die kleine vorm
Dat wie het ziet
Een vreemde droefheid voelt
Te moeten en te mogen leven.

 

En wie het ziet leert dat
De tijd niet discussieert, dat elke dag
Er is om weer te leren krijgen. Dat
Alles wat bestaat omringd is door
Oneindigheid en toch wil leven.
Dat alles leeft om ooit gezien te worden.
Dat alles onder die ogen verdwijnt.

 

Zo, Ongenoemde, liep ik toch weer leeg,
Kind in mijn eigen lichaam,
Dat luistert hoe het vol loopt
Met adem, met lucht en kleur
Met nacht om stil te worden
Met groter ongeluk om van te huilen
En zacht te vrezen, keer op keer.

 

En leeggemaakt gebeurt er soms iets vreemds.
Dat ik een zomeravond lang
Als was ik nog tien jaar
De aarde onder mijn knieën voel
En het heelal.
Zo dicht bij het hele grote
En toch niet bang.

 

Dat ik een hand over mijn handen voel
En weten mag wat er gebeurt
Dat ik de haren weg mag strijken
En weten mag dat ik dat doen zal
Voor altijd, er is een eeuwigheid
Die mij aankleedt en door mij
Kijkt.

 

Dat ik de zon voel en de regen hoor.
Dat ik kan wachten als de wind
Meerstemmig zingt.
Dat ik niet meer verlegen ben te leven
Als vogelkreten, even
En dan weer zo onzichtbaar lang
Aanwezig.