7. Tussenbestaan
<vorig  verder>

Ik loop over de aarde. Groot lijf dat onder mijn voeten beweegt, zich opspant, zich inhoudt, dit kleine mensje verdraagt, gerust laat, de weg ten einde laat gaan.

Soms kan ik het bijna voelen, dat grote lichaam.
Soms zie ik mezelf lopen. Het is niet omdat de aarde zo groot is, dat ze niet tastbaar zou zijn. Het is niet omdat de lucht overal is, dat ik niet zou beseffen hoe intiem lichamen met elkaar omgaan. Het is niet omdat het licht goochelt met diepte en hoogte en verte, dat ik niet meer kan kijken.

Telkens weer verbaast mij dat lichaam van mij. Niet alleen dat het in leven blijft, een oceaan van adem is al in mij voorbij gestroomd, ook die oneindigheid is zo groot dat ze bijna tastbaar wordt. Niet alleen dat ongevraagde maar dierbare voortbestaan, maar die heel eigen intelligentie, dat stilzwijgend genot. De zon schijnt, en de warmte over mijn gezicht is niet alleen warmte, maar ook bestaan, en geconcentreerd bestaan. Is herinnering die de volgende keer nog geconcentreerder zal maken. Is verlangen. Dat zo'n lichaam nooit gevuld raakt, onophoudelijk vol en leeg loopt. Speelt en opvliegt, inslaapt en weer geboren wordt.

Ik loop over de aarde. Het is valavond, het tussenuur. Van al dit krijgen en loslaten ben ik, met de jaren, een beetje doorzichtig geworden, beetje glas. Het kost niet zoveel moeite meer om mij te vullen. Het kost ook minder moeite om weer leeg te lopen. Als dit moment, tot de rand gevuld en al weer leegdruppelend.

Alle bestaan is tussenbestaan, en die ijlte waarin het lichaam verschijnt, is licht, aangenaam doorzichtig, van een ongrijpbaarheid die soms verrassend geconcentreerd is en meestal ook weer niet, zoals een noot niet alleen een klank is maar ook de stilte waarin ze lag te wachten, hevig aanwezig en afwezig.

Wat voor een klank geldt, geldt ook voor de aarde. Een klank is als een vogeltje dat trillend van aanwezigheid op de tak landt en, bij een volgende oogopslag alweer verdwenen is. Maar de aarde met haar groot lichaam komt en gaat wat trager, een dag die langzaam donker wordt, een seizoen dat onzichtbaar een stap naar voren zet, een stad die eeuwen gangen heeft gegraven, een beschaving die elke zandkorrel heeft geteld. Het is niet omdat er zoveel tijd al heeft bestaan, dat wij het niet meer zouden weten.

Met lichter te worden let een mens wat meer op dat grote gebaar van verschijnen en verdwijnen, ook in hemzelf, vooral in hemzelf. Want hoe zou hij anders weet hebben van wolken, als hij geen ogen had? Hoe zou hij anders weten van liefde, als er geen mond was die hem zocht? Hoe zou hij anders weten van leven, als hij geen lichaam had die hem meenam?

Hoe lichter en doorzichtiger ik word, hoe meer ik balanceer tussen komen en gaan, tussen krijgen en geven, hoe meer ik stil word en uitrust in de beweging, zoals de schommel, zoals de golf voor ze terugkeert. Heel even maar, maar zo leert ook een mens vliegen.