![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Late lente. De zon heeft zich eindelijk weer los gewurmd, de dag heeft zijn deuren opengezet. Kijk maar, zeggen de dingen als er veel licht op valt en de dood ze lijkt te vergeten. Omdat ze zo'n kort leven hebben, is de kleur van al die bloemen rond mij nog indrukwekkender. Alsof ze zeggen: wij verliezen niet. Dit moment zijn we eeuwig. En onze schoonheid hebben we al aan volgende momenten doorgegeven, je ziet ze alleen nog niet. Er is in het bestaan een gigantische strijd bezig om dat bestaan in stand te houden, te laten voortbestaan. Alsof dat wonder nooit mag verdwijnen. Voor de rozen, die in hun rozerood de lucht vol maken, is het zo wezenlijk dat ze dat voelbare bestaan niet meer kwijtraken, dat ik stil word van al die opgehoopte wilskracht. Elk schitterend kleurvangend blad is er het bewijs van. En de kat. Als de bel gaat en ze de schrik van haar leven weer overdoet (ze was ooit een uit het nest gevallen straatkatje, verloren door haar moeder), is ze met haar ogen vol geconcentreerde argwaan de mooiste kat die ik ken. Luiheid laat het breed hangen, maar de reflex om het leven te behouden houdt scherp, mooi afgelijnd, veel van dat leven ineens. En de straten. Al die gezichten die in de straten voorbijdrijven en zo duidelijk het leven vasthouden dat zich in hen ophoopt. Aan de beweging kunnen ze niet veel doen, die is overal en ongrijpbaar, maar dat leven dat in hen wakker is geworden, daar klampen ze zich aan vast, soms krampachtig ja, soms van een elegante zorgeloosheid die overvloed verraadt, soms met de pijnlijke littekens aan de buitenkant. Ik zit op een terrasje, en drink mij de warmte in van een koffie, en vul mijn ogen met de gezichten. Er is een moeder met zoon, die niet kunnen beslissen welk tafeltje ze zullen nemen, dit hier of dat daar aan het eind. De zoon is op weg om even breed te worden als hoog, maar een baseballpetje tilt hem daar bovenuit. Het meisje dat serveert, draaft heen en weer met een efficiëntieloosheid die aandoenlijk is. Meneer, kom zo, zegt ze elke keer als ze me voorbij loopt. Ik knik maar. Haar ordeloos tegen de stroom opklauteren is me even lief. Ooit komt het kopje koffie wel, ook een universum, en nog beweeglijk ook. |
||
![]() |
![]() |