2. Geluk, 's morgens
<vorig  verder>

Het geluk in een rug te liggen, in een bed van warmte, in een fluwelen kamer van licht en adem, in een morgen die leeg wil zijn, in een wereld die vogels heeft geschapen en verre treinen en jou naast mij. Soms verdicht de wereld zich tot een bol waar alles aanwezig blijkt. Soms past de wereld in je hand.

Is dit geluk?
Ik weet niet wat geluk is.

Ik weet dat ik 's morgens soms wakker word met een schoongespoeld hoofd. Niet dat oude vol muizenissen, stemmen, beelden die zichzelf opjagen. Een vers hoofd, als van glas waar licht door valt, als een morgen wanneer de tuin nog niet volgelopen is met licht en zware schaduwen maar glanst als een jong kind, als takken die de lucht zelf omhoog houdt met nauwelijks trillende handen, als zon die kleuren geeft en kleuren die de zon teruggeven, als geluiden die nieuw zijn en helderder dan ooit hoorbaar. Als jouw lichaam als je de was ophangt, meer dan ooit draait de wereld dan mee in je schouders, in je handen die zoveel weten en willen en kunnen. Als de wind die er is en dan weer niet, bestaan dat zich opheft alsof het niets is, en toch alles aanraakt, takken, schaduwen, je haar.

Is dit geluk?
Ik weet niet wat geluk is.

Ik weet dat de wereld buiten mij bestaat, niet in mij opgesloten mag zitten. Het is een grote wereld, mijn hoofd, maar nog wat te klein om alles voor zich te houden, nog wat te klein om alles te begrijpen. Wat een geluk dat ik 's morgens meegenomen word, dat 's morgens alles met mij opnieuw wil beginnen, groeien, bewegen, kleur uitzenden, zingen. Een duif koert over het huis, kikkervisjes begrijpen dat ze moeten bewegen om nu niet dood te gaan, het water trilt, jij knipt witte seringen van de boom opdat ze in het huis een wereld worden van room en geur en onbeweeglijkheid, door de ramen valt het zonlicht, het blauw van de lucht is bleek van licht, auto's rollen in hun beste geluid voorbij, helemaal zichzelf, buurmans voetstappen hoor ik en dat is voor mij voldoende om te weten dat de wereld van iedereen is, straks zal hij me groeten of zijn hand opsteken, alsof hij het leven zelf uitdeelt, zoveel is ervan, en toch kunnen we niets vergeten, ik denk aan mijn dode vader en moeder, hoe we hen uiteindelijk aan de aarde zelf hebben toevertrouwd, wat konden we anders doen dan dat, op zulke momenten moet het grote leven zelf tussenkomen.

Geluk, ik weet niet wat dat is. Ik zeg alleen, in de woorden van de mensen voor mij, wat een geluk dat het leven op ons wil wachten, 's morgens, nu, als we doodgaan.