![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Klokgelui hoor ik, en de botten staan op de takken, en de zon schijnt: wat is laat zich zien en horen, even tijd- als schaamteloos zichzelf, en, bij een volgende blik, weer anders. Zo zijn momenten: ze glijden door je vingers. Het licht staat onbeweeglijk stil, volkomen doorzichtig, en als me omdraai, is het donker geworden.
Maar nu nog niet. Even haal ik alleen maar adem om te voelen dat ik besta.
Klokgelui. Deze morgen zag ik in een begrafenisdienst een dood lichaam in een open kist, zo vol van onbeweeglijkheid. Dit moment ontging mij, al mocht ik lang kijken. Hoeveel stemmen en gezichten, hoeveel aarde samengebald in dit versteende lichaam. Hoeveel weegt oneindigheid. Ook toen luidde een klok en was het daarna weer stil.
Mensen komen langs, even duurt het, en dan zijn ze weer voorbij. Ik wil mijn ogen op hen laten rusten, of een vraag stellen die hen wat langer laat duren, of mijn vingers op hen leggen. In de hoofdstraat zit een zwangere vrouw te bedelen en ik leg een munt in haar horizontale hand. Een man en een vrouw kijken naar hun dode moeder. Door de straten, door de ramen van de kerk valt weelderig zonlicht. Zo tastbaar is alles, dat het bestaan heel lang, met een diepe buiging, afscheid neemt van haar doden.
De massieve blik van de doden rond de stad van de levenden: een kind loopt de straat over, iemand koopt een T-shirt, in de straten drijven geuren en geluiden en vormen, en overal wacht leven op leven, in het zonlicht van een prettige namiddag die onophoudelijk iedereen en alles aanraakt en een plaats geeft en herkent. En daar rond, onzichtbaar, onaanraakbaar behalve even in een open kist, de onzichtbaarheid die geeft en neemt. Soms lijkt het, alsof iets van de overtuiging, de gulheid, de genegenheid die zoveel op aarde zet, aanwezig is als er ook moet worden genomen. Die plotse heldere ogen, voor iemand voorgoed inslaapt. Die vrede die zich uitstrekt over het gezicht. De vreemde leegte in dat lichaam, alsof nu pas zichtbaar wordt dat met de adem ook een grotere geest meekwam, en in dat lichaam aan het bloeien ging. Alsof iemand zei: kijk, en ze heeft gekeken. Kom, en ze is gekomen.
Er zijn vogels in de lucht, en de botten zijn groen en rood en driftig van geest, en over de daken glijdt een onhoorbare wind, en in de straten stappen en leven mensen. Telkens als ik een gezicht of een rug zie, zie ik hoe de leegte is volgelopen, een holte waarin stemmen klinken en verhalen worden verteld, een vlek die ooit wordt weggewist. Ik zie een tenger meisje dat in een kist ligt, met mooie dichte ogen en heel dunne handen, een vrouw die beelden heeft gemaakt en stemmen en kinderen die haar achterlieten en weer terugkwamen om haar te zien, en al die jaren werd die geest niet ouder, meisje van zesentachtig dat zo helemaal stil kan zijn als ze slaapt, terwijl de klokken luiden en de vogels zingen en het zonlicht door de ramen valt. Wie haar heeft gegeven, moet haar terugnemen, zo jong als ze is, zo nieuw nog, zo mooi. Iemand moet ons geweten hebben. Iemand. |
||
![]() |
![]() |