5. Verhaal
<vorig  verder>

De schepping is niet één verhaal, de schepping is elke keer weer, bij elke nieuwe vorm of wezen, anders. Vond ik niet dit blad, geelbruin tot in zijn randen, en hield ik het niet in het zonlicht, een hele wandeling lang, tot het licht over de randen liep? Had ik niet een vader? En kamde mijn moeder niet mijn haar toen ik klein was, mijn natte, pas gewassen haar?

 

Hij luisterde naar de woorden in zijn hoofd, mijn vader, hij observeerde ze en probeerde ze stil te krijgen, soms sloeg hij naar ze. Want hij wilde het bestaan bezweren, en daarom sprak hij onophoudelijk, in zijn hoofd of luidop, met een stem versterkt door jaren ongeduld. Hij wilde putjes graven en er het hele leven in leeggieten. Hij wilde de klank horen van alles, en die hoor je niet zomaar. Soms zong hij, mijn vader. Soms wees hij naar een vogel. Soms kon hij akelig staren.

 

Ik had een moeder met een oud en een jong gezicht. De moeder met het jonge gezicht ging op alles liggen, om het warm te houden, om het eten te geven, om nooit meer alleen te zijn. De moeder met het oude gezicht zat soms in de ondergaande zon met haar rug tegen een muur gehurkt, terwijl de dag verder liep en aan de horizon verdween. Ik was niet dezelfde zoon bij de ene moeder als bij de andere.

Wat het bestaan met ons doet, is ons een verhaal geven. Tijd heeft met dit verhaal niet zo veel te maken. Wel hoe de beweging tegen ons aanbotst, hoe het licht op ons valt 's morgens, en in de ogen van wie naar ons kijkt. Wel hoe de kleuren in ons zinken, op het einde van de dag, op het einde van een heel leven.

 

Wat het bestaan met ons doet, is ons een einde geven. Er is zoveel dat een einde moet krijgen, dat niet kan blijven duren. Een korte, kleurloos gebleven dag. Een flard muziek. Een krant die oprolt onder autobanden. Een net vergeten brief. Een blik aan de deur. Een ziekenhuisbed dat leeg wordt gemaakt. Niets blijft duren, en juist daarom verdient het genegenheid. Als al dat bestaan wordt opgeworpen, moet het ook worden opgevangen. De hand die ons opgooit, moet ons ook neerleggen, wegleggen, wegbergen. Alles wat bestaat verdient dat het even wonderlijk verdwijnt als het verschenen is, zeker omdat het ondertussen volgelopen is met kleuren, geluiden, woorden, aanrakingen. Kan het dat als iets volgelopen is met de hele schepping, het zomaar vergeten wordt? Kan het dat deze avond morgen nooit heeft bestaan? Kan het dat mijn moeder mij nooit meer aanraakt?

 

Iemand moet ons opwachten, ons afronden, ons terugbrengen. Iemand moet ons helpen om weer weg te gaan. Iemand moet ons loslaten. We hebben ons hele leven elk moment losgelaten, alles is gekomen en weer weggegaan, van de aanraking bleef alleen de herinnering over, en nog is ons lichaam niet helemaal leeggedronken, dit magere ding dat lichter is dan lucht en doorschijnender dan het licht. Iemand moet ons lichaam in zijn armen nemen en zacht neerleggen. Iemand moet beter dan ons weten hoe we het hebben gekoesterd, verzorgd, door de momenten gedragen, bijeengehouden in de beweging, hoe we het hebben laten kleuren door alle kleuren van de schepping. Iemand moet weten dat we niet zomaar hebben geleefd, iemand moet ons beter kennen dan onszelf en ons verhaal verder vertellen, met de genegenheid die alles mooi maakt. Iemand moet alles van ons overnemen, zodat niets verloren gaat, grote beschermende hand waarin alles zijn plaats vindt. Iemand moet ons zegenen voor altijd. Iemand moet.