![]() |
![]() |
||
|
Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Maar met de aanraking is de pijn gekomen.
Er gaat een stil geschrei door de wereld, zegt de mysticus. Door alle vormen van deze aarde klinkt ze, een zachte, nauwelijks hoorbare pijn. Ze trilt mee met de beweging die door hen spoelt, ze doet maskers voor of zit in een hoekje te kijken, soms springt ze op en schrikt van zichzelf, soms gaat ze liggen en droomt, soms zegt ze een leven lang geen stom woord.
Een klein meisje is de pijn, met die waanzinnig mooie ogen die men aan jonge meisjes geeft, waarmee ze dwars door je kijken, waarin alle vragen van de wereld liggen, waarmee je aan de rand van de afgrond komt. Een vraag als een mes op je keel.
Wat kun je anders dan proberen lief te hebben.
Er gaat een stil geschrei door de wereld, zegt de mysticus. Wat kun je anders dan kijken, kijken zoals moeders hun pasgeboren kinderen bekijken, ernstig, van heel diep, en heel zacht. Alles is zo tijdelijk, zo broos, zo afgescheiden. Alles is zo weerloos zichzelf.
Bestaan is een vraag die doet duizelen, zeker voor wezens met bewustzijn, met woorden om de vragen in te vangen en vast te houden.
Het antwoord is een vreemde tegenstelling. Wie ons troosten wil, streelt ons, wrijft met zachte vingers over die kwetsbare, rillende randen, wrijft de wonde dicht, zo lijkt het wel, tot we dichtgemaakt en gesust in slaap vallen. En tegelijk voelen we dwars door onze huid het grote van een hand over ons voorhoofd, het grote van een stem die onze naam uitspreekt, het grote van lippen die ons vloeibaar maken. Wat is dat grote dat ons aanraakt, ons stil maakt?
Elk wezen baadt in de liefde die het vorm gaf. Dat ene, duidelijk herkenbare lichaam leeft niet alleen binnen zijn randen, zijn kwetsbare randen, maar evenzeer erbuiten, in de grote omarming waaruit het ontstond. En zo ademen we de lucht die ons leven geeft, raken we aan en zien we elkaar, verteren we de aarde waarop wij lopen, kijken we door de zichtbaarheid en voelen we de onzichtbaarheid, brandt in ons de warmte van een bestaan dat ons vult, van het ene moment tot het andere, maar dat groter is dan onze randen, dat overloopt in ons, zoals wij overlopen in het bestaan.
Het is het verhaal van het deel en het geheel, van de nerven en de bladeren, van de bladeren en de boom, van de boom en het park, van het park en het landschap, van het landschap en de dag, van de dag en het licht, van het licht en mijn blik. Zonder het deel was er geen geheel. En het geheel draagt het deel. Zonder dit gescheurde blad was de boom er niet. Zonder dit angstige kind was er geen mensheid.
Zo dicht ligt alles bij elkaar, hoort alles bij elkaar. Al die vaders en moeders in ons leven sussen ons en wrijven ons dicht, en in hen is er een aanraking gaande die zichtbaar wil maken wat onzichtbaar was, bestaan wil geven aan wat onbestaan was, verlangen en herinnering aan wat kon gebeuren. Het is zo angstaanjagend groot geboren te mogen worden, dat er veel vaders en moeders nodig zijn om ons van die angst te verlossen, om ons te leren niet alleen naar binnen maar vooral naar buiten te kijken, om ons te vullen met de volheid van een schepping die goed is omdat ze schepping is, tuin in de leegte, woord in de stilte, beweging die opgooit en licht vangt, tot we zelf vader en moeder worden en het stille geschrei horen van die ontelbare wezens en vormen die overvallen worden door hun bestaan. |
||
![]() |
![]() |