2. Beweging
<vorig  verder>

De regen trekt grote wapperende sluiers over het land, en dan breekt de zon door en morst overdadig zilver, op bladeren, en daken, en auto's. Dan is het volgende moment.

 

Voor mij, levende, is er slechts het volgende moment. Ik draai mijn rug en bots tegen een nieuw ogenblik. Ik knipper met mijn ogen en een nieuwe dag begint. Ik voel en zie mijn polsslag, hoor de vogels tekeer gaan, en proef de smaak en hoe ze overgaat. Voor mij, levende, is er alleen voorlopigheid.

 

De voorlopigheid is mijn leermeester, de voorlopigheid is mijn vriend, de voorlopigheid is mijn geliefde. Ik wil graag inslapen met een verloren dag in mijn armen. Ik wil graag wakker worden met een nieuwe dag naast mij. Ik wil graag opkijken en gezichten zien in de straat, en de geluiden horen van deuren en auto's en voetstappen en stemmen, ze zijn zo verschillend, en elke keer als ik ze in mij laat zakken, vraag ik mij af hoeveel ik daarvan nu nooit meer vergeten zal. Ik ben een kind dat bij de hand genomen wordt en geen ogen genoeg heeft om te zien wat het allemaal gewezen wordt. Vroeger deden mijn ouders dat en mensen die groter waren dan ik. Nu ik ouder word voel ik ze in mijn rug duwen, dood als ze zijn, dat ik verder moet gaan, niet omkijken, nee. Zoveel heb ik al gezien en zo weinig. Soms luister ik naar mijn vingers die zoveel hebben opgepakt. Soms wrijf ik over mijn ogen die zoveel moeten kennen en herkennen. Soms probeer ik te begrijpen wat het is een lichaam te hebben. Er is zoveel dat spreekt en ik luister. Noem het nieuwsgierigheid, gulzigheid van een pluisje aan de rand van de weg, dat bij het minste opvliegt en weer neerdaalt.

 

Al wat leeft, herkent dat, herkent die beweging die gaande is, herkent het gaan. Hou op met vragen, zegt het, laat je omhelzen. Hou op met spreken, wees stil. Er is weer een adem voor je gekomen, nu, nu weer, de wereld is groot, laat je meevoeren, laat je opgooien en neerkomen, wees niet bang voor de pijn. Er is een adem voor je gekomen. Wees niet bang.

 

Soms probeer ik te begrijpen wat het is een lichaam te hebben. Waarom willen we toch zo hartstochtelijk onszelf vergeten, opgaan in een groter lichaam: een gesprek, een blik, een toneelstuk, een boek, muziek, een liefde. Zo gefascineerd kijken en luisteren, en dan met een schokje terugkeren, plots onszelf herinneren, plots beseffen dat we al die tijd onszelf vergeten waren, en hoe goed dat was, hoeveel groter. Wat is dat verlangen? Wat is dat grote lichaam waar we naar verlangen?

 

Met het lichaam is ook de onrust gekomen, de schaduw, het alleen zijn. Overal die lichamen, en overal die schreeuw om aandacht. De onrust van lichamen die de moederschoot verlaten hebben en omkijken. Misschien dat we daarom uit onszelf willen treden, om te vergeten dat we alleen zijn, om de randen te vergeten van een hoofd dat in zichzelf besloten ligt, van gedachten die niet meer ophouden, om de huiver te vergeten als we rechtop staan en niemand herkennen, antwoord moeten geven op de vraag van ons bestaan. Onze grote angst: dat we ons bestaan niet zullen kunnen verantwoorden, dat we het zullen moeten verstoppen als een schuldbeladen pakje, dat we het zullen moeten negeren als iets dat we langs de weg vonden en dat ons eigenlijk niet toebehoort. Angst die, net als het verlangen, uit zichzelf wil treden en even ophouden te bestaan, maar, anders dan het verlangen, kerft, gaten slaat, om in leeg te lopen.

 

Maar het bestaan moet niet worden verantwoord, het bestaan wil aangeraakt worden, het bestaan wil kind zijn en tegen zijn moeder aanliggen en meedeinen met het grote lichaam van zijn moeder en in slaap vallen in handen die alles hebben gemaakt. Het bestaan wil wakker worden en de hele wereld voelen ademen in zijn adem, een oceaan van wezens spoelt in ons aan, golft door ons met een kracht die ons oppakt en weer neerzet, elders, verder, anders, bij weer andere golven en weer ander bestaan. Een beweging soms te groot voor woorden, soms angstaanjagend groot, maar we worden niet vergeten, nooit worden we vergeten, altijd weer valt licht van de dag op ons, altijd weer bewegen we met een beweging die niet van ons is maar ons is toevertrouwd, altijd weer spreken we met woorden die niet van ons zijn maar ons zijn toevertrouwd, altijd weer rolt het bestaan door ons als een gigantische machine die zonder ons stilvalt.

 

Kijk, zegt mijn lichaam, hoe ik je meeneem, met deze handen, met deze ogen, met deze gedachten, zie toch hoeveel ik voor je meeneem, je hele leven bewaar ik. En ik word stil, en heel stil volg ik met mijn vinger dit leven in mij tot in zijn kleinste uithoek tot ik het vast kan houden: één klank in mijn oor, één hartslag, één moment van warmte.

 

Maar het lukt niet. Niets heb ik om vast te houden. Alles krijg ik, overkomt mij, trekt door mij, bloed en adem en hartslag en de gedachten die ik hier uitspreek en de blik door het raam en de hand op mijn schouder of als hij me opgooit, de hand die me geleerd heeft dat het goed is dat ik besta.