![]() |
![]() |
||
| Bloeiende Leegte Een Soort Stilte Kamermuziek Insula Dei Kom nog 'ns... (verhaal) Krullen (verhaal) Contact |
Ik ben niet oud, ik ben niet jong. Elke morgen sta ik op met een lichaam zwaar van dromen. Dan was ik mij als een die in een rivier koelte zoekt. En altijd is het licht eerder op, zacht, traag, maar onvermoeibaar. Het licht is er altijd.
Tijd is een handig hulpmiddeltje om mijn arm, handig om mensen te ontmoeten en afspraken te maken. Met mezelf heeft tijd niets te maken. Ik kijk uit het raam en zie de beweging. Ik eet en luister naar het nieuws en vraag mij af of ik mij deze dag zal herinneren.
Ik weet het, ik ga langzaam weg. De dood kerft fijne strepen in mijn gezicht. Soms, op een foto, kijk ik hem aan. Dan schrik ik van mezelf. Soms lig ik 's nachts wakker en probeer mij voor te stellen dat ik mezelf al zo lang meemaak.
Maar wat is oud worden als ik er niet op een afstand naar mag kijken, als het bij mij binnen komt als adem, en honger, en moeheid? Heb ik nu veel of weinig tijd gehad? Heb ik nu lang of kort geleefd?
Ik ben niet jong, ik ben niet oud. Maar mijn ogen zien hoe alles onophoudelijk tot leven wordt gewekt, zien de aandacht die in vormen zit, zien dit gebaar dat alles opgooit, en ik denk dat het daardoor lijkt of ik ouder word. Ik word niet ouder, ik slijt van de beelden die door het raam van mijn ogen gaan, ik voel en onthou en draag de vormen die mij aanraken, ik ben zelf vorm en vul mij met wat mij vult. En de dag komt en de nacht komt en de wereld verandert van ogenblik tot ogenblik, en deze zachte, warme vorm die ik ben verandert mee.
Al die momenten. Al die momenten waarop ik heb gekeken. Er is zoveel in deze wereld, alles is in deze wereld, en wie kijkt, voelt hoe het moment gaat zwellen van zijn onder- en boventonen, hoe de kleuren in elkaar overgaan als was er maar één grote kleur, hoe de vormen tegen elkaar bewegen en soms onhoorbaar klinken, hoe in dit ene moment de hele wereld aanwezig is, nu, voor mijn ogen, in mijn oren, in mijn handen. Dit ene moment dat ik leef. Alsof ik telkens weer geboren word, mijn ogen opsla en de wereld zie in zijn wilde oneindigheid en mij laat overweldigen door licht en vorm en kleur en geluid en beweging. Uit de zwarte nacht de pas ontwaakte dag. Water voor een hele grote dorst. De lichtheid als de pijn voorbij is. Mijn hart dat opspringt als het moment kijkt en glimlacht.
Zoveel heb ik en zo weinig. Slechts dit moment waarop ik adem, eet, ziek word, wanhoop, naar je kijk, slechts dit ene moment waarop de regen valt en de wind tussen de huizen hoorbaar is, met vlagen die even snel weer zijn verdwenen. Laat mij vallen, vallen in dit ene moment, voelen hoe diep het is, hoe ver het gaan kan. Hoeveel er bij mij is, hoeveel meer er adem haalt en wanhopig is, hoeveel vormen stil en soms onooglijk klein willen wachten. Hoeveel er geschaafd is door de beweging en hoe groot de beweging is die schaaft. Hoe bewust alles is van dit ene moment van zijn voortbestaan, grote en kleine lichamen, verre en dichte vormen die niets weten van de tijd in hen, behalve dat ze nu bestaan, en nu aangeraakt worden door alles wat ook bestaat, behalve dat ze verlangen om dat bestaan door te geven, onbestaan dat bestaan wordt, nu, zo veelvuldig dat het lijkt alsof het niets is, dat verlangen, terwijl het heel onze wereld heeft geschapen, terwijl het de speelse hand is die alles heeft opgegooid. |
||
![]() |
![]() |