Krullen(verhaal) <vorig  verder>

Ze was rond, zij was dik, zelfs haar grijszwarte haar krulde, al vloekte ze, in het grappigste dialect, dat het piekte en stak en een ramp was om te zien en dat het zonde was dat ik krullen had zonder betalen en daarbij nog een jongen was. Lelijke oude eend, lelijke oude snaterende eend, die binnenkwam toen ik nog aan het verhuizen was, met een vervlogen foto in koper gevat, een lampenkap en een bord koud eten, snaterend en grijnzend en lachend met een tandeloze mond, over de vele jaren van haar leven, gevat in verhalen die in elkaar overgingen, afgewisseld met vragen en opmerkingen over het weer en over mijn gezondheid. Het meest lachte ze nog met haar ene oog dat dichtgegroeid was, een hevig blank vel dat ze vervaarlijk dicht bij me bracht tot ik er wel moest naar kijken terwijl ze vertelde. Haar man die thuiskwam van het werk met nog enkele centen in zijn zak van het drinken. Zijn werk liet staan. Haar dienstjaren in de gangen van herenhuizen die nu allicht ingestort waren of aan beschimmeling ten prooi. Kijk, op die foto, dat ding daar, dat ben ik. Zie ik er nog zo goed uit? De markten van Gent. Glazen bier die door het raam gekeild worden. Of ik de kolenbak niet wou vullen. Het raam dichtspijkeren met een doek tegen de winterkou. Een bed op zolder dat ik zeker zou kunnen gebruiken. Neem mee. Neem toch mee. Jezus. Kijk dit is mijn nichtje. Ze is bij mij in het weekend. Als haar vader thuis is.

 

Eens, terwijl de kachel roodgloeiend stond en ik haar krant zat te lezen, zei ze, plots, voor zich uit starend: Zo heb ik hem teruggezien, niet lang na de begrafenis. Hij verscheen boven de tafel, ik zat hier, tot aan zijn borst zag ik hem hoven de tafel en ik : Julien, maar hij bewoog niet en ik bewoog niet, durfde zelfs niet meer te ademen en na een tijdje zag ik hem niet meer. Zo was het, zei ze en knikte naar me.

 

Mijn lief, zei ze. Ik ben te oud, anders gingen we dansen. In het café, drinken en pronken: kijk daar is mijn lief. Hij heeft mijn krullen. Mijn arm pakken en tegen je aandrukken. Zwevende wegglijdende oude kleine voeten op straat. Verweerde, gekrompen handen, met vingernagels die te lang groeien en diep insnijden.

 

Het lege oog dat mij aankijkt boven de pratende mond. Als ik wegmoet deze winter, kun jij hier dan niet wonen. Het is toch een prima huisje. Ik laat de meubelen staan, de kachel. Alleen die kast voor mijn nichtje.

 

Later. In het oude middeleeuwse ziekenhuis, met de hoge gangen, de plavuizen, schuiven mij de brancards tegemoet met verweesde bleke lichamen, onder een deken verzonken, het hoofd ergens, een hand opzij weghangend. Stemmen gaan hier tot heel boven. Licht valt door het hele raam en nog is het niet klaar.

 

Ik vind haar achteraan de gang in een zaal waar ik uit terugdeins. Bedden tot in het midden. Achtergelaten oude vrouwen en mannen Een verpleegster geeft te drinken en veegt dan de mond schoon. Ik hoor een klepperend geluid in de hoek, als van een ooievaar. Kijken, na aarzeling. Ik zie enkel rijen bedden en gezichten. Ik vind haar op een stoel naast haar bed, duttend, wakker schrikkend en me omhelzend. Ik praat gedempt, zij ook. Iedereen luistert, ondanks het geschuifel tussen de bedden, het geschal van de verpleegster, het geklepper, het gekraak van de bedden. Zij heeft geen kast, zelfs geen nachtkastje, alleen een valies onder haar bed en een stoel ernaast. Na een tijdje vraagt ze, haar oog dicht tegen mijn oor, of ik geen fles reukwater kan meebrengen. Sommige vrouwen stinken. Ik wil niet stinken. Waar bewaar je je geld, vraag ik. In mijn valies. Had je dat bed maar meegenomen uit mijn huisje.

 

Nog later. (In de herinnering is later relatief. Je maakt zulke sprongen alsof het niets was, louter uit de behoefte om in te delen, om te bewaren, om niet verloren te lopen, te laten lopen. Ik weet niet hoe lang je onder die doffe gewelven gebleven bent, ik weet niet hoe je insliep 's avonds als de gordijnen met een lange ruk werden dichtgetrokken, of je wel insliep met het licht dat toch nooit echt helemaal uitgedraaid werd, met het geluid van mensen dat zich verder zette in de nacht, het ademen, het kreunen, het keren, het staren, ik weet niet hoe het is niets meer van jezelf te hebben, in je dunne lichaam al die andere lichamen te voelen. Zelfs het sterven gebeurde naast je bed en in jouw nacht. Zelfs het plassen hoorde je. Oude gerimpelde vrouw, met je ene oog en je spottersdialect en je wriemelende handen, als je zo oud geworden bent, wat zie je dan voor je, ik weet het niet, daarom zeg ik later, nog later). Ik zie je terug in het rustoord voor ouden van dagen waar ze je naartoe gebracht hebben, naar een kamer die eindelijk vrij kwam. Ze moeten hier sterven om de drukte bij te kunnen houden. Het was zo'n steriele gang met vrome natuurprenten aan de muur, kunstmatig licht dat bleef branden, sanseveria's op de vensterbanken. Je rook het: strengheid van een internaat voor plattelandsmeisjes, een overal aanwezig oog, van een geduchtheid die zich niet laat merken. Je zag het: volle verpleegsters, met rode konen, die de verschrompelde medemens hartelijk toespreken met opaatje en madammeke en Louiseke en kracht en kordaatheid hebben voor nog tien andere levens.

 

Ik vond je in een kamer apart waar je met nog twee andere vrouwen en een man koffie dronk en niet het hoogste woord voerde, een beetje suffig op je stoel en vagelijk wat verbaasd glimlachend toen ik klopte en binnenkwam. Je stelde me zelfs niet voor en ik wist eerst niet wat ik je moest zeggen en vragen na al die tijd. De anderen zetten het gesprek onder elkaar verder. Er was een oude tante bij met juwelen aan die herhaalde waar het gesprek over ging en die het eerst koffie kreeg en een koekje. Er vielen grote gaten stilte en ik naast jou, ik vroeg je wat, zei je wat en zag ondertussen je gierende tandeloze lach niet, je hand niet op mijn hand, je ene oog niet dicht bij het mijne.

 

Zal ik nog teruggaan? Ik wil je niet laten sterven, daar niet en nooit. Als ik niet terugga, sterf je niet, ik leg nu mijn herinnering vast voor jaren ver, en zelfs dan zal ik niet opbellen en vragen of je nog leeft, zal ik niet gaan kijken of je helemaal dement bent geworden, een sloddervrouwtje met grijs afhangende haren die ze ondertussen op weer een andere plaats hebben moeten opbergen, altijd aan dezelfde deur mompelend, af en toe kirrend met onwaarschijnlijk hoge stem, een boosaardig venijn dat keft en slaat als ze een woedeaanval krijgt en over de grond kruipt in haar nat geworden ondergoed. Nee, we keren terug naar vroeger (later is fantasie, nooit gebeurd, een onwaarschijnlijk slot dat moet worden overgedaan), toen je een jonge ronde meid was die veertien uur per dag werkte en steeds beter werd. Ik heb het beste deel gekend.