Kom nog 'ns bij me zitten...(verhaal) <vorig  verder>

De hele nacht hoorde ze treinen rijden. Ze sliep slecht, werd vaak wakker, lag niet goed in het bed, draaide zich keer op keer op haar zij terwijl ze de treinen hoorde en zich afvroeg waarom het niet stil werd. Ze lag in deze inktzwarte kamer terwijl buiten van alles aan de gang was.

 

Maar er was één geluid dat haar stoorde, waarvoor ze zich oprichtte: optrekkende motoren, tot een punt dat haar onwaarschijnlijk voorkwam, alsof een bende jongelui in doodsdrift jacht op elkaar maakte. Toen viel het geluid ineens stil en hoorde ze weer het stampen van de zware wagons over de rails, eindeloos herhaald en eentonig.

 

Ze had de liefde voor treinen van haar vader, een rijzige man die zijn leven lang chef was geweest van een goederenstation aan de haven. Een stoffig breed terrein, vol achtergelaten wagons waar nooit beweging in kwam, tenminste niet als zij er op bezoek was. Maar ze hadden een reis gemaakt, tot hier, en zouden toch wel ergens opnieuw naartoe rijden. Ze mocht van haar vader rond de ijzeren reuzen lopen maar nergens opklimmen. Dat vroeg ze ook niet, het vuilroeste ijzer dat soms op zo'n zichtbare manier aan elkaar was gezet was haar genoeg. Ze liep rond de locomotieven en de stellen en in haar hoofd was het één beweging, gesis van stoom en geluiden. Het was niet moeilijk om op die manier te reizen. Soms koos ze een plaats op de grote atlaskaart die tegen de keukenwand hing en dan probeerde ze hoe ver ze kon geraken. Ze hoefde er haar ogen zelfs niet voor dicht te doen. Zo kruipt het verlangen in je hoofd, gaat nooit meer weg.

 

Ze woonden in het centrum van het dorp, vlak naast de school, ze gingen ook nooit met vakantie omdat haar moeder ziekelijk was, een ruig soort astma dat haar voortijdig oud en neurotisch maakte. Naar soms nam haar vader haar mee voor een treinreis naar een uithoek van België, ter gelegenheid van een of ander plaatselijk feest of omdat de zon scheen. Dan stonden ze in de volgelopen straten naar de stoet te kijken en als het gedrang te hevig was, nam hij haar op zijn schouders zodat ze de hoogste was van allen. Het waren namiddagen waarop zij sprak en hij zweeg, knikte of knorde dat hij luisterde.

 

Als ze samen in de coupé terugspoorden, zei ze zelf ook niets. Ze voelde zich veilig en sterk in dit grote lichaam dat zijn weg door de lucht, door het donker groef met een kracht die ze bleef bewonderen. Haar vader gaf af en toe uitleg over de steden en de plaatsen waar ze voorbij trokken, soms ook over de trein zelf en heel af en toe vertelde hij over zijn reizen van vroeger. Dan werd ze op een vreemde manier ontroerd en wist niet waarom.

 

Naar de zee wilde haar moeder mee en dan speelde ze een namiddag in het zand terwijl ze luisterde naar haar ouders die stil tegen elkaar spraken, naar haar vader keek met zijn opgeknoopte hemdsmouwen en broekspijpen, naar zijn benige blote voeten die wel misvormd leken, naar haar moeder als ze de ogen sloot in het zonlicht en in slaap viel, het haar opgestoken in een losse wrong. Ze speelde in het zand maar was zich scherp bewust van haar omgeving: de neerstortende golven van de branding, de wolkenmassa's die overtrokken, onmerkbaar veranderend van vorm, wat ze kon verstaan van wat andere mensen en kinderen tegen elkaar zeiden als ze voorbij stapten of in de buurt kwamen zitten, haar vader die de krant las, één hand tegen zijn ogen gedrukt.

 

In de trein, op de terugweg, lachte haar moeder naar haar en voelde ze haar wangen gloeien, verbrand door de zon.

 

Eéns, maar dat was maar één keer gebeurd, had haar vader haar voor enkele dagen meegenomen naar een Duits stadje. Er was een speciale oude trein ingelegd, van Oostende naar Rome, dat wist ze niet meer, een met glanzend koper beslagen pronkstuk dat nog een ritme had uit een andere tijd en waarvoor je je moest inschrijven. Ze stapten op in Gent, een grimmige herfstdag dat de wind over de perrons sloeg en reizigers in groepjes bijeen gingen staan. Haar vader trok haar kraag recht, stopte haar haar weg, trok haar tegen zich aan. Ze voelde in hem dezelfde opgewondenheid die ze zelf ook kende als er wat ging gebeuren.

Ze vond voor hem en haar een plaatsje bij het raam in een coupé waar daarna niemand meer bijkwam. Ze verwonderde zich erover dat alles anders was en toch hetzelfde. Ze reden trager, de coupé was met dikke stof en leer beslagen en gaf haar de indruk van uiterste kostbaarheid. In plaats van te picknicken gingen ze lunchen in de restauratiewagen. Het landschap en de steden trokken voorbij en ze wist dat het nog uren zou duren.

 

In het Duitse stadje liepen ze naast het water dat op sommige plaatsen tegen de huizen kwam. De eigenaar van het hotelletje vroeg of ze haar vaders dochter was. Ze begreep het niet en bloosde. Haar vader vertaalde maar ze wist nog altijd niet hoe ze zich moest houden.

 

De hele nacht had ze treinen gehoord. Ze had slecht geslapen, het soort nacht dat je niet weet of je slaapt of wakker bent, dat beelden steeds en opnieuw door je hoofd spelen, de zoveelste herhaling waarin nauwelijks variatie zit al denk je dan van wel, geen verhaal maar een eentonig voorbijschuiven van slechts datgene dat je bezighoudt. Soms, zelfs, in haar droom, had ze het gevoel dat ze beter wakker werd, omdat ze dol werd van dit binnenste buiten keren, zonder uitkomst.

 

Haar vader was eenenzeventig nu, nog altijd kaarsrecht maar grijs aan de slapen en bijna kaal geworden. Zijn pensionering had hem verweesd achtergelaten, een gezonde, scherp bewuste man die men alle verantwoordelijkheid af had genomen om ze nooit meer terug te geven. Hoe hij daar stond, in een nieuw pak, om de woorden aan te horen van de afscheidsspeech, iedereen nadien de hand schudde alsof dit een heuglijke dag was. Ze wist dat zijn maag samentrok bij de gedachte dat hij nu moest thuisblijven. Waar was de plicht nu'? Ontrouw geworden. Na dertig of meer jaar van hem weggewandeld alsof het allemaal niets was geweest. Ze wist dat hij het moeilijk had, nog altijd, maar hij sprak er niet over. Hij kwam in haar huisje nieuwe latten op de buitendeuren slaan zodat de regen er niet meer onderdoor kon, hij spitte haar hofje en bracht allerhande klimmers mee die haar vervellende muren moesten bedekken, hij kapte haar dakgoot los en plooide er asfaltpapier in. Ze zag hem staan, hoog op een dunne lange ladder. Nadien gaf ze hem koffie en het gesprek was zoals altijd: iets over moeder, iets over Lotje, iets over het werk, iets over hemzelf. Ze was blij dat ze hem kon bedanken als hij vertrok.

 

"Tot later, Fri" zegt hij in de deuropening.
"Tot later, va"

 

Mijn theorie is dat de gewoonte alles rechthoudt. Je loopt verder, omdat je bezig bent, omdat je die richting was ingeslagen, omdat je niet durft terug te keren. En je loopt met anderen mee. Of achter anderen aan. De macht der gewoonte, zegt men.

 

Lotje zit aan tafel nog half te slapen. Dat kind moet vroeger naar bed. Ze hoest weer. Ze vraagt of Johan vanavond komt. Hoe komt ze nu toch op Johan? Maar ze houdt veel van hem, dat is duidelijk. Zoals hij die laatste keer met haar gespeeld heeft. Tekeningen en grapjes op een blad papier. We hebben nog nooit zolang aan tafel gezeten als die keer. Hij stond zelf verwonderd over haar slimmigheid. En zelf kent ze trucjes bij de vleet. Die moet ze op school opgeraapt hebben. Bijvoorbeeld elk cijfer dubbel tekenen en vragen wat je erin ziet. Johan zag niets, ik ook niet. Naar Lotje had ze dan ook knap voorgetekend, zodat je niets kon vermoeden. Kabbalistische tekens.

 

Ja Johan, waar is hij nu? Mensenlief. Lotje je weet dat hij nooit iets afspreekt. Hij komt en hij gaat. Zo'n beetje de wind. Waar hij van leeft, ik weet het niet. Hij heeft ook niemand om voor te zorgen. Toch niet dat ze eten van hem moeten krijgen.

 

Ze ruimt de tafel op, praat met het kind over de komende schooldag, geeft ontwijkende antwoorden over Johan, omdat ze eigenlijk niet wil dat hij veel ter sprake komt. Ze wil niet dat ze zich aan hem gaat hechten en dan ontgoocheld wordt. Maar is dat de reden? Dat kind mag zich toch hechten aan wie het wil? En ontgoocheld? Het is zo ook al ontgoocheld. Over de school bijvoorbeeld. Als haar vriendinnetje er niet is, gaat niets haar af. Dan komt ze thuis met tranen in haar ogen, opgespaard voor één grote huilbui bij het kleinste probleempje.

 

Het eerste leven: elke morgen, gewoontegetrouw, achter eten en drinken en wat verder nog op ons staat te wachten aansjokken, tot we er moe van worden in de benen en in het hoofd. Maar ja, wat wil een mens? Hij wil meer, zelfs al weet hij niet wat hij zoekt.

 

Lotje loopt aan haar hand de speelplaats op. Ze zijn bij de laatsten, maar nog op tijd, ziet ze. De kinderen staan gelaarsd en gespoord bij de bus die zijn motor laat draaien. Opgewonden stemmen. Een reisje van niks maar alles is nieuw. Ze ziet de meester van het vierde studiejaar, ze blijft naar hem kijken, hoe hij daar staat tussen die bonte kakelende bende en wijst en spreekt en glimlacht. Lange haren. Een pet. Meester, meester. Hij zal het hen wel uitleggen. Als de meester meegaat willen ze allemaal mee.

 

Wat doet een mens om te blijven stralen? Hij glimlacht.

 

Hij moet nochtans al tegen de vijftig zijn. Er wordt over gesproken dat hij volgend jaar of zo zijn pensioen zou aanvragen. Ze hoopt dat Lotje alsnog bij hem terecht kan. Vreemd dat je dat zo belangrijk vindt, een goede leraar.

 

Elke dag wen ik eraan om beter voor de dag te komen. Ik oefen. Om beter te functioneren, zoals Marc zei, en hij grijnslachte. We gaven elkaar wat koffie, een klop op de rug en hop, onder de mensen. Neer konden we niet doen, dachten we, wat sarcasme over het ontbijt, en eigenlijk, veel meer konden we niet doen als je ziet wanneer we opstonden, altijd de laatste minuut eraf knijpend, hij nog meer dan ik want ik had Lotje en een man komt maar laat tot het besef dat voor een kind ook moet gezorgd worden. God, en hij was toen ook ziek aan het worden. Zo langzaam als dat ging.

Het arbeidsbureau zit in de buik van een grijsstenen gebouw. Ze moet trappen op, schrikt als ze haar hand uitsteekt van de glazen deuren die met een klap openschuiven en moet dan nog wachten op de lift. De hitte slaat haar in het gezicht als ze binnenkomt. Voor de liftdeuren is het tapijt uitgesleten tot kleurloze vlekken.

 

Op de eerste verdieping moet ze nog trappen op, schuift ze aan en krijgt ze een nummer waarmee ze in de wachtplaats gaat wachten, een gang eigenlijk waar stoelen staan waarop mensen zitten. Buitenlanders, vrouwen, oude mannen. Opvallend gesloten gezichten, blikken die ontwijken, alsof het niemand iets aangaat wat er hier gebeurt. Ieder is al weer bezig met wat straks op hen wacht, in de open lucht, als ze uit de buik van de walvis zijn. En dat gebeurt zo dadelijk. Er zijn er vier, drie, twee, één voor mij. Als ik hier buiten ben. In het zonlicht.

 

Zoals ze steeds drukker verkeer in steeds nauwere openingen duwen.

 

Terwijl ik het formulier voor mij invul - voor de zoveelste keer - voel ik dat de vrouw aan de andere kant van de tafel mij bekijkt. Ik schuif het blad naar haar en ze slaat haar ogen niet weg. Als ik vraag wanneer de uitbetaling er eindelijk zal zijn, zegt ze dat ze dat op dit bureau niet weten. Ze haalt haar schouders op. Ik wil nog meer vragen stellen maar de moed ontzinkt me. Ik zou een gepast antwoord moeten vinden maar vind er geen. Ik heb slechts geleerd mij terug te trekken. Te wachten. Geloven dat het wel in orde komt.

 

Hoe zo'n stad kan veranderen. Elke keer weer de indruk dat de stad nieuw is 's morgens, vooral als de zon doorbreekt en er genoeg licht is. Elke keer weer het teveel aan alles in de late namiddag, als alle auto's weer door dezelfde gleuf moeten, alle bezoekers weer door hetzelfde grootwarenhuis, het geluid over alles gaat hangen, als ze blij is als ze thuiskomt, de deur achter zich dicht kan trekken en de huiskamer ziet bezaaid met speelgoedresten. Het ligt niet aan de dingen, het ligt aan mij, denkt ze. Het mag niet te lang duren.

 

Waar is Johan, vraagt Lotje. Daar denkt ze nu aan. Ze denkt aan Lotje die op school aan tafel zal zitten. Het zal wel etens tijd zijn. Lotje in de grote refter. De zekerheid om vier uur afgehaald te worden. Ze denkt aan Johan. Ze verlangt naar hem. Eigenlijk is het dat. Eigenlijk zit het in haar hoofd. Verlangen wordt je niet gegeven. Je geeft het jezelf. Je overstelpt er jezelf mee.

 

Mensen, gezichten die haar vandaag bijblijven, langer dan nodig: het meisje van de kassa in het grootwarenhuis zegt asjeblieft en dank u zonder een spier van haar gezicht te vertrekken. Ze is lichtbruin gemaquilleerd met een glimmende oogschaduw. Haar dikke neervallende haar en haar oorbellen doen mee met de beweging van haar hoofd bij het tikken en inpakken, haar gezicht is afwezig, totaal afwezig.

 

Het gezicht van de directeur in het museum, waar ze voor halve namiddagen is aangeworven, om het tekenarchief te ordenen en te inventariseren, een job in onduidelijke gesubsidieerde omstandigheden, die trouwens binnenkort weer ten einde loont. Hij ziet er niet goed uit. Gedeukt grauw gezicht. Hij loopt haar eerst voorbij zonder haar te zien, komt dan tweemaal terug om het zelfde te vragen.

 

Ze houdt van het museum, van de teruggetrokken sfeer die er hangt, van de ruimte om heen en weer te lopen, om te kijken. Bovenal houdt ze van het licht, hele zalen vol onwaarschijnlijk licht. Bijna tastbaar. Geen geluiden, niets. Ze houdt van de grote lappen tijd dat er niets beweegt: totale stilstand.

 

In de kelders: grote mappen met tekeningen, schetsen, gravures, etsen, willekeurig daar bewaard. Van nul beginnen en een eigen orde opstellen. Een werk dat groeit tot het af is. Dat doet ze graag.

 

Haar fascineert de tijd die in het werk stilgelegd is: sommige gravures zijn honderden jaren oud, maar het is nauwelijks moeilijk om de kunstenaar te vervoegen die ze toen, daar, maakte, aan het maken is. Zeker als ze een hele verzameling van één en dezelfde persoon vindt en probeert te klasseren.

 

Het gevoel dat ze had als ze met Marc een expositie bezocht die haar aansprak, of soms bij een kunstenaar thuis. Alsof je zijn kinderen zag. Levende wezens.

 

Haar moeder nam haar eens mee naar een vrouw in de straat die boetseerde en ook in stenen kapte. Ze was klein toen, misschien zeven, acht jaar. Ze kwamen in een donker nauw huis vol met rommel. Voor haar moeder althans was het rommel: beelden in plaaster, opgezette beesten, vreemde stenen en voorwerpen, tapijten die uitgesleten leken en toch aan de muur hingen. Achterin was de keuken en daar sprak haar moeder met de vrouw, terwijl zij verdwaalde, zich verdwalen liet, zonder dat haar moeder het merkte, in de andere wereld die hier geschapen was. Op de achtergrond kabbelden de stemmen, van de straat was niets te merken. Een lange gleuf kwam uit in het atelier, waar half afgewerkte beelden op een sokkel stonden, niet bewegend onder het licht dat door twee koepels in het plafond naar beneden viel. Aan de muur hingen schetsen van andere beelden. Hoe lang bleef ze hier zitten? Het leek of hier een andere code gold dan thuis, zonder eentonigheid, zonder wrevel of misverstanden. Een wereld, ontdekte ze, die in jezelf zat en daar losgemaakt moest worden, met veel zorg.

 

Dat kind dat ziet dat graag, zei haar moeder toen ze haar vonden. Ze was niet boos.

 

Hoe oud was ze nu? Hoe ouder je wordt, hoe meer levens je meedraagt. Van jezelf maar ook van anderen. Haar moeder was een oude vrouw geworden, verstild tot op het zachte af. Ze las nog altijd vrouwenmagazines, bracht af en toe een stapeltje waar ze soms de keukenrecepten uit had gescheurd. Ze kookte, ze breide, ze keek televisie. Er was televisie in huis sedert de pensionering van vader.

 

Vader, zei ze altijd. Ze noemde bijna nooit zijn naam.

 

Haar vader: als hij zei dat er geen televisie in huis kwam, dan kwam er ook geen in huis. Zelfs als haar moeder niets meer omhanden had. Hij hield zich wel bezig, met zijn stoomboten, zijn treinen, zijn geschiedenis, zijn vreemde talen. Ook dat was veranderd.

 

Haar gedachten gaan ook nog altijd naar Marc. Wat houdt op met de dood, alles gaat op een andere manier verder. Maar zo radicaal. Op geen enkele manier terug te halen en er toch nog. Marc.

 

Mijn ouders spreken nauwelijks over Marc, denken wel aan hem, dat weet ik. Hoe zij de toekomst zelf zien, weet ik niet, vraag ik niet. Als moeder er niet meer is, dan is het afgelopen, heeft mijn vader ooit 'ns gezegd.

 

Marc had een soort aardse humor die hem nooit losliet, zelfs niet als hij doodsangstig was. Dan kon er nog een grimas af die alles betekende. Voor mij toch. Met Marc was er altijd lucht. Hoe hij over de dingen nadacht en sprak. Ik had zo weinig nodig om niet meer te piekeren. Hij liet me niet verdwalen in mijn eigen spinsels. Hij wist wat echt was en onecht. Pas later, toen hij al ziek was, heb ik gemerkt dat hij zijn diepste gevoelens zelf niet kon verwoorden.

 

Soms huilde hij, liet hij zichzelf toe te huilen. Weinig als ik erbij was. Nooit bij Lotje die toen nog zo klein was. Ik merkte het achteraf, als hij weer zijn grimas op had en die blik in zijn ogen. Marcs vreemde moed. Ik denk dat het de lichamelijke pijn was die hem wegmaaide. Eén keer heeft een verpleegster het me gezegd: uw man heeft de hele namiddag gehuild. Een hele jonge verpleegster die precies zelf niet goed wist waarom ze het zei.

 

Marc. Hoe moet ze nu nog aan hem denken. Niet dat het een probleem is, maar ze spreekt nog vaak over hem, bijvoorbeeld met haar vriendin, als ze samen de stad intrekken om boodschappen te doen, als ze op een terras een koffie drinken en over de mannen bezig zijn, ze zijn toch wel eens over de mannen bezig, haar vriendin die ook alleen is kan er zelfs op afgeven, wees blij dat ge niet met die of die zijt, ik ben dan nog liever twintig keer alleen. Mannen, als ze niet achter uw gat aanlopen, dan moeten ze toch nog altijd over hun eigen vertellen. Zo ene moet ge toch ook niet hebben, zegt haar vriendin. Marc, daarmee kondt ge praten, dat was een slag apart, zegt haar vriendin. Daarom doet het goed daar nog eens aan te denken. En onwillekeurig ga je toch vergelijken. Je wordt wel ouder maar ook kieskeuriger. Hoe dat toch gaat als je jong bent.

 

Lotje is blij als ze me ziet op de speelplaats. Ze praat honderduit over de voorbije dag. Haar gezichtje dat meebeweegt. Ik die maar hoef te luisteren.

 

Als ze thuis is, nog eens aan het opruimen is, belt haar moeder. Ze moet zondag maar komen, tante Adrienne komt. Maar zondag, ik kan zondag niet, zegt ze. Ze wil het niet uitleggen. Haar moeder klinkt geërgerd, begint weer te klagen dat ze op die manier niets aan haar heeft, als er dan een familiefeest is, dan komt ge niet. Feest, vraagt ze, van feest hebt ge toch niet gesproken, is het nu ook al feest als tante Adrienne komt. Ze zou de hoorn willen neerleggen maar ze doet het niet.

 

Als Lotje meewil gaat zo'n avond vlug. Huiswerk, eten, wassen. Kleren klaar. Onderstoppen. Lotje van de grote vragen. Wanneer komt Johan. Waarom de school. Waar met vakantie. Als het haar meezit praat ze zelf in plaats van vragen te stellen. Lotje met het blondbruine lichtglanzende haar. Ik zou het nooit moeten wassen, zo goed blijft het.

 

"Mama?"

"Ja?"

"Kom nog wat bij me zitten."

"Ik ben bezig, Lotje."

 

Als ik bij haar zit, trekt ze me op de rand van het bed. Ik vraag wat er is, maar er is niets. "Zit nog wat bij me."

 

Als ze beneden komt, loopt het televisiejournaal net ten einde. Ze luistert naar het weerbericht, kijkt naar het begin van een film, neemt dan een boek. Het is stil in huis. Van tijd tot tijd hoort ze de spoorweg hier in de buurt, hoog boven de huizen. Soms legt ze dan het boek opzij en begint ze over zichzelf te denken. Dat lukt niet zo best alleen. Daarom houdt ze er abrupt mee op. Zet zich in beweging. Haalt iets te drinken. Het is niet de bedoeling dat ze leeg van binnen naar bed gaat. Daarom zet ze vaak ook geen muziek op. Er zijn avonden dat dan teveel loskomt.

 

Muziek, daar heb je soms geen verweer tegen. Geen verweer tegen jezelf, bedoelt ze.

 

Als ze in bed het licht uitknipt, denkt ze aan de woorden van Lotje: "Kom nog eens bij me zitten." Dan slaapt ze in.