Luisteren <vorig  verder>

Luisteren, dat is Alfred Brendel die opwiegt van zijn bankje bij het pianospelen, zijn kaken gespannen malend, zijn handen als vogels over de toetsen: zo ongeduldig en geduldig wacht hij tot de klanken willen komen, zo vol eerbied wil hij naar hen luisteren, met hen meegaan, begrijpen wat ze willen zeggen. Want, legt hij nadien uit, tot rust gekomen en weer een beetje wijzer, elk goed muziekstuk is niet alleen een vorm, maar ook een karakter… Het zijn die karaktervolle gesprekken die hem mateloos boeien.

Luisteren, dat is tussen de auto's door, plots de wind horen, een kleine windvlaag, waarvan je je afvraagt of ze ooit zou hebben bestaan als je haar niet had gehoord.

Luisteren, dat is tussen de gezichten door, plots een gezicht zien dat je treft, om de vreugde die het uitstraalt, om de nauwelijks verborgen droefheid, om de gaafheid, om de tekening van een heel leven, omdat het droomt, omdat het terugkijkt…

Luisteren, dat is horen wanneer de woorden andere woorden willen verbergen, dunne kleren over de kou. Maar ze moeten nog gevonden worden, die andere woorden, of ze zijn te kostbaar om ze zomaar te tonen, zomaar uit handen te geven. Dan is luisteren zwijgen, wachten, of zachtjes meezoeken met een klein vraagje. Luisteren weet dat spreken meer is dan woorden. Woorden zijn wat je vindt. Maar er is ook het zoeken, de onhandigheid, het niet weten, er is de verlorenheid die een mens soms een beetje doet doodgaan, er is het oude gevoel dat alleen ogen kunnen uitdrukken. Er is zoveel woordloosheid die tussen de woorden hangt. Als iemand luistert, wacht, zijn daar misschien toch woorden voor, zoals je iets vindt als je niet meer zoekt.

Luisteren, dat is de paniek als het lichaam plots weer pijn doet, dat is de hollende verbeelding als iemand niet thuis komt, dat is het schrijnen na de ruzie, dat zijn de stemmen in het hoofd na de mislukking.

Luisteren, dat is de spiegel, dat wondere ding waarin we onszelf buiten ons zien en dat ons leert hoe traag een leven beweegt, en hoe groot en onvermijdelijk die beweging is.

Luisteren naar jezelf is niet gemakkelijk, dat verdomde samenvallen met jezelf. Soms kan de Grote Beweging zo dichtbij komen dat we heel bang worden. Dan moet er iemand met ons meeluisteren, als vriend bij zijn vriend, een kleine beweging van troost die ons uit de verlamming haalt. Zo'n klein stroompje, tussen twee mensen, en toch genoeg om in beweging te blijven.

Een zeldzame keer komt de Grote beweging niet alleen heel dichtbij, maar blijft ze staan en kijkt ze ons aan. Dan wordt luisteren een wonder: als iemand zo luistert dat hij je leven redt; als uit het niets een kind opduikt, lichaampje dat beweegt; als een mens sterft en het lichaam wordt heel stil.

Misschien zijn er bevoorrechte plekken, waar we meer aangekeken worden dan elders. Ik kwam in het voorjaar aan bij Sénanque, de avond viel rond de abdij en ik haastte me voor de vespers. Maar ik was te vroeg, kwam in een doodstille kerk, volledig donker op één klein lichtje na, en voelde dat ik niet alleen was. Overal rond mij aanwezigheid, hoewel de kerk leeg was en de stilte hard als steen. Ik keek, ik wachtte, ik zweeg. Een dieper luisteren luisterde met mij mee, leerde mij iets dat ik nog niet begreep. Toen werden enkele lichten ontstoken, kwamen de monniken binnen en begon het gezang.

Daarom is luisteren een blik. Een blik is ver en dichtbij, afstand en aanraking, stilte en spreken tegelijk. Loslaten en dragen. Niet willen oplossen en daardoor een oplossing geboren laten worden. Een blik is een lege ruimte, maar sedert de boeddhisten, sedert de mystici weten we dat de ruimte vol is. De blik ziet omdat ze leeg is, ze stroomt omdat ze vol is.

Luisteren is de creativiteit zelf, het verlangen om te scheppen, om leven te geven. Luisteren is kijken waar dat leven ligt te wachten, en het dan zachtjes aanraken.

Daarom is luisteren een daad die andere daden aansteekt, een daad die buiten haar oevers treedt en overstroomt in honderden, duizenden andere blikken en gebaren. Luisteren is groter dan het moment zelf, luisteren zet zich voort in ander luisteren, het is het mysterie van ons handelen dat groter blijkt dan we ooit hadden vermoed. Dat geldt voor de waanzin en de vernieling, dat geldt ook voor genezing en kracht. Uiteindelijk golft in dat luisteren van ons een blik die het hele leven wil omvatten, een gebaar dat goddelijk is in zijn ambitie, in zijn overtuiging dat ook het kleinste geboren moet worden. Kijkt dat gebaar ons aan? De liefde moet ooit begonnen zijn. Iemand moet ooit de eerste keer gekeken hebben. Misschien is elke liefdevolle blik ook een terugkijken, misschien kijken we bij elk luisteren ook even over onze schouder om naar wie het eerst naar ons geluisterd heeft.