|
Het meisje Maria, ik kan ze me zo voorstellen: kind uit de dorre heuvels,
geitenhoedster, nieuwsgierige bruine ogen, gewend aan de eindeloosheid
van de dagen. Jonge vrouw aan de bron, stiller dan vroeger tussen de
andere vrouwen, de oude met hun rimpelgezicht dat zo diep is ingesleten,
de jonge moeders met hun kinderen, slapend of aan de borst. Dat meisje
Maria is meisje en vrouw tegelijk, zoals dat gaat, de wereld die zich
plots uitbreidt tot schepping, en daar is ze stil van. Het is ook groot
wat er met haar gebeurt. De vrouwen weten het wel, maar ze zou er over
willen praten, en veel woorden zijn er niet.
Maria: zijn er niet duizenden zulke meisjes? Krachtig gelaat, sterke
huid, een blik die de wereld draagt? Wat is uitzonderlijk aan haar?
Dat ze er was bij het begin, dat ze er was bij het einde. Op de achtergrond,
jawel, maar altijd. Iemand moet een lichaampje opvangen als het geboren
wordt, iemand moet het loslaten als het weggaat, loslaten en nakijken.
Dat hele merkwaardige leven door is ze er. Hoe heeft ze dat gedragen,
meisje van de heuvels, vrouw uit het dorp die moeder werd? Hoe keek
ze naar die zoon van haar, die een spoor trok dat haar verrukt en beangstigd
moet hebben tegelijk? Hoe zag ze het lot keren en zijn vernieling opdoemen?
Niet elke moeder heeft zo'n publieke zoon. Niet elke moeder heeft een
zoon die publiek zo tekeer gaat. Had ze toen woorden voor wat haar overkwam?
Die totale aanwezigheid is tegelijk zo uitzonderlijk alledaags. Ze deelt
ze met alle moeders. Leven wordt in liefde gedragen, en dat blijft zo
bij hen. Ze zal ouder worden, de jonge vrouw Maria, groeven zullen haar
gelaat tekenen, haar tred van jong dier zal wat trager worden, misschien
zijn er andere kwalen. Maar haar ogen zijn jong gebleven, de blik waarmee
ze naar hem kijkt. En de ontzetting is die van alle ouders die het onvermijdelijke
zien gebeuren en niets kunnen doen.
Er worden haar weinig woorden in de mond gelegd. Verlegen woorden, als
tegen de engel, haar hoofd gebogen, blozend misschien. Kwade woorden,
toen ze dodelijk verontrust was om de verdwijning van haar jonge zoon.
Helpende woorden, als op de bruiloft van Kanaan. Heel herkenbaar allemaal.
Telkens hetzelfde met Maria: je kunt je haar zo goed voorstellen.
Maar wist ze ook dat haar zoon de wereld zou veranderen? Dat is minder
duidelijk. Wie wist dat wel? En toch laat Lucas haar revolutionaire
woorden uitspreken. Jong, ongeletterd moedertje, met kleine gekloven
vingers, dat woorden uitspreekt als: "Heersers ontneemt Hij hun
troon, geringen verheft Hij, hongerenden overlaadt Hij met gaven, rijken
stuurt Hij weg met lege handen". Het visioen van het christendom,
in de mond gelegd van een zwanger meisje. Alsof de eerste die begrijpt
dat het leven, meer nog dan oplossingen, erkenning vraagt, een jong,
zwanger meisje is. Dat menswording niet alleen tastbaar maar ook geestelijk
is. Er is veel dat een zwanger meisje niet begrijpt, maar dat begrijpt
ze wel, zij die met haar baren ook de liefde zal baren.
Zij moet toch ook gezien hebben hoe haar zoon door de heuvels en de
dorpen trok, hoe zijn loutere aanwezigheid mensen het geloof in zichzelf
teruggaf, het geloof in verandering, zodat ze genezen waren nog voor
ze genezen waren, totdat hij niet anders kon dan zeggen: uw geloof heeft
u gered. Meer nog dan de genezingsverhalen verbijstert mij dat: die
bovenmenselijke uitstraling van kracht, van geloof, van vertrouwen dat
redding mogelijk was. Begreep ze toen wat er gebeurde? Ik denk het:
ze was erbij, ze zag wat ze zag, ze moet beseft hebben dat hier zich
iets voltrok dat onomkeerbaar was. Haar zoon liet in de wereld het geloof
achter dat een mens mag en kan genezen, gered worden, verheft worden,
overladen worden met gaven. De blik van een moeder nu uitgebreid tot
alle mensenkinderen.
Die blik overstijgt mensenrechten en wetteksten en politiek, hoe belangrijk
die ook zijn. Het gaat niet voor niets over een blik, iets dat zich
afspeelt tussen mensen. Het gaat om de binnenkant, om de hunker gezien
te worden, om het verlangen te kunnen en te mogen bestaan, het gaat
om de verandering die losspringt uit het geloof dat iemand in je legt,
die tover van verandering als iemand iets in je ziet nog voor het er
is.
Mensen leggen in elkaar opstanding door hun geloof in elkaar. Moeders
doen niet anders met hun kinderen. Daarom is dat meisje dat moeder werd
de eerste christen. Nog voor ze haar zoon aan het werk zag, wist ze
al dat leven geven zich zou uitstrekken over alle leven, het kleinste,
het minste eerst. Daarom wordt ze zo aanbeden, denk ik, omdat ze als
moeder begreep. Ga maar eens op een onbewaakt moment naar een Mariabedevaartplaats.
Jong en oud lopen daar, hele gezinnen soms. Ze zullen niet allemaal
uit kerkelijke hoek komen, zeker niet, maar ze zijn wel hier. Met het
afgrondelijk diepe verlangen van elke mens om gekend te worden. Gekend
zoals een moeder haar kind kent: onvoorwaardelijk, eeuwig, en als het
mooiste dat in iemands leven is gebeurd, hoe klein en schamel misschien
ook.
Nog een scène: stabat mater. Haar stervende zoon, en het kruis
waar ze bijstaat, zijn pijn, en haar zoon die haar pijn ziet, en haar
toevertrouwt aan zijn vriend. "Zoon, ziedaar uw moeder. Moeder,
ziedaar uw zoon." Hoe smartelijk kan liefde zijn. Maar ook dat
draagt ze. Een moeder die lijdt met haar kind, dat is bijna twee keer
lijden. Maar samen met de andere vrouwen is ze er, ze is er en wacht
en draagt en is ook hierin wel en niet uitzonderlijk. Het zijn de vrouwen
die afscheid nemen van het leven, het zijn de vrouwen die nieuw leven
zien, als het graf leeg is. Maria als vrouw, als moeder, als de moeder
van Jezus. Hoe is zij met al die lijnen die haar leven kruisten, omgegaan.
Wat ging er om in haar hart, "waar ze alles bewaarde"
Wees
gegroet
Het meisje Maria, ik kan ze me zo voorstellen: kind uit de dorre heuvels,
geitenhoedster, nieuwsgierige bruine ogen, gewend aan de eindeloosheid
van de dagen. Jonge vrouw aan de bron, stiller dan vroeger tussen de
andere vrouwen, de oude met hun rimpelgezicht dat zo diep is ingesleten,
de jonge moeders met hun kinderen, slapend of aan de borst. Dat meisje
Maria is meisje en vrouw tegelijk, zoals dat gaat, de wereld die zich
plots uitbreidt tot schepping, en daar is ze stil van. Het is ook groot
wat er met haar gebeurt. De vrouwen weten het wel, maar ze zou er over
willen praten, en veel woorden zijn er niet.
Maria: zijn er niet duizenden zulke meisjes? Krachtig gelaat, sterke
huid, een blik die de wereld draagt? Wat is uitzonderlijk aan haar?
Dat ze er was bij het begin, dat ze er was bij het einde. Op de achtergrond,
jawel, maar altijd. Iemand moet een lichaampje opvangen als het geboren
wordt, iemand moet het loslaten als het weggaat, loslaten en nakijken.
Dat hele merkwaardige leven door is ze er. Hoe heeft ze dat gedragen,
meisje van de heuvels, vrouw uit het dorp die moeder werd? Hoe keek
ze naar die zoon van haar, die een spoor trok dat haar verrukt en beangstigd
moet hebben tegelijk? Hoe zag ze het lot keren en zijn vernieling opdoemen?
Niet elke moeder heeft zo'n publieke zoon. Niet elke moeder heeft een
zoon die publiek zo tekeer gaat. Had ze toen woorden voor wat haar overkwam?
Die totale aanwezigheid is tegelijk zo uitzonderlijk alledaags. Ze deelt
ze met alle moeders. Leven wordt in liefde gedragen, en dat blijft zo
bij hen. Ze zal ouder worden, de jonge vrouw Maria, groeven zullen haar
gelaat tekenen, haar tred van jong dier zal wat trager worden, misschien
zijn er andere kwalen. Maar haar ogen zijn jong gebleven, de blik waarmee
ze naar hem kijkt. En de ontzetting is die van alle ouders die het onvermijdelijke
zien gebeuren en niets kunnen doen.
Er worden haar weinig woorden in de mond gelegd. Verlegen woorden, als
tegen de engel, haar hoofd gebogen, blozend misschien. Kwade woorden,
toen ze dodelijk verontrust was om de verdwijning van haar jonge zoon.
Helpende woorden, als op de bruiloft van Kanaan. Heel herkenbaar allemaal.
Telkens hetzelfde met Maria: je kunt je haar zo goed voorstellen.
Maar wist ze ook dat haar zoon de wereld zou veranderen? Dat is minder
duidelijk. Wie wist dat wel? En toch laat Lucas haar revolutionaire
woorden uitspreken. Jong, ongeletterd moedertje, met kleine gekloven
vingers, dat woorden uitspreekt als: "Heersers ontneemt Hij hun
troon, geringen verheft Hij, hongerenden overlaadt Hij met gaven, rijken
stuurt Hij weg met lege handen". Het visioen van het christendom,
in de mond gelegd van een zwanger meisje. Alsof de eerste die begrijpt
dat het leven, meer nog dan oplossingen, erkenning vraagt, een jong,
zwanger meisje is. Dat menswording niet alleen tastbaar maar ook geestelijk
is. Er is veel dat een zwanger meisje niet begrijpt, maar dat begrijpt
ze wel, zij die met haar baren ook de liefde zal baren.
Zij moet toch ook gezien hebben hoe haar zoon door de heuvels en de
dorpen trok, hoe zijn loutere aanwezigheid mensen het geloof in zichzelf
teruggaf, het geloof in verandering, zodat ze genezen waren nog voor
ze genezen waren, totdat hij niet anders kon dan zeggen: uw geloof heeft
u gered. Meer nog dan de genezingsverhalen verbijstert mij dat: die
bovenmenselijke uitstraling van kracht, van geloof, van vertrouwen dat
redding mogelijk was. Begreep ze toen wat er gebeurde? Ik denk het:
ze was erbij, ze zag wat ze zag, ze moet beseft hebben dat hier zich
iets voltrok dat onomkeerbaar was. Haar zoon liet in de wereld het geloof
achter dat een mens mag en kan genezen, gered worden, verheft worden,
overladen worden met gaven. De blik van een moeder nu uitgebreid tot
alle mensenkinderen.
Die blik overstijgt mensenrechten en wetteksten en politiek, hoe belangrijk
die ook zijn. Het gaat niet voor niets over een blik, iets dat zich
afspeelt tussen mensen. Het gaat om de binnenkant, om de hunker gezien
te worden, om het verlangen te kunnen en te mogen bestaan, het gaat
om de verandering die losspringt uit het geloof dat iemand in je legt,
die tover van verandering als iemand iets in je ziet nog voor het er
is.
Mensen leggen in elkaar opstanding door hun geloof in elkaar. Moeders
doen niet anders met hun kinderen. Daarom is dat meisje dat moeder werd
de eerste christen. Nog voor ze haar zoon aan het werk zag, wist ze
al dat leven geven zich zou uitstrekken over alle leven, het kleinste,
het minste eerst. Daarom wordt ze zo aanbeden, denk ik, omdat ze als
moeder begreep. Ga maar eens op een onbewaakt moment naar een Mariabedevaartplaats.
Jong en oud lopen daar, hele gezinnen soms. Ze zullen niet allemaal
uit kerkelijke hoek komen, zeker niet, maar ze zijn wel hier. Met het
afgrondelijk diepe verlangen van elke mens om gekend te worden. Gekend
zoals een moeder haar kind kent: onvoorwaardelijk, eeuwig, en als het
mooiste dat in iemands leven is gebeurd, hoe klein en schamel misschien
ook.
Nog een scène: stabat mater. Haar stervende zoon, en het kruis
waar ze bijstaat, zijn pijn, en haar zoon die haar pijn ziet, en haar
toevertrouwt aan zijn vriend. "Zoon, ziedaar uw moeder. Moeder,
ziedaar uw zoon." Hoe smartelijk kan liefde zijn. Maar ook dat
draagt ze. Een moeder die lijdt met haar kind, dat is bijna twee keer
lijden. Maar samen met de andere vrouwen is ze er, ze is er en wacht
en draagt en is ook hierin wel en niet uitzonderlijk. Het zijn de vrouwen
die afscheid nemen van het leven, het zijn de vrouwen die nieuw leven
zien, als het graf leeg is. Maria als vrouw, als moeder, als de moeder
van Jezus. Hoe is zij met al die lijnen die haar leven kruisten, omgegaan.
Wat ging er om in haar hart, "waar ze alles bewaarde"
|