Woestijn <vorig  verder>

Een stille voormiddag. Bladeren die wiegen en geen geluid maken. De soepelheid van een levende tak, slank als een danser.
Dat het leven wiegt, dat weten we.


Vorige week zag ik in de woestijn van Marokko een sterrenhemel uit het eerste begin. Een hemel volgestrooid met diamanten, schitterend in de betekenis van onophoudelijk tintelend, en in de betekenis van kostbaar. Een tent over mijn hoofd gespannen, om mij te ontvangen, om in te slapen. Een woning van diepzwart velours, een eindeloosheid die ik bijna aanraken kon.

Want dat is het vreemde van eindeloosheid, ze komt zo dichtbij. Als de tegenstellingen het diepst zijn, liggen ze het dichtst bij elkaar. Ik die mijn hand maar uit te steken heb voor het heelal. De scherpte van sterrenlicht in een tapijt van duister. Mijn kleinheid, met om mijn schouders de schepping. Mijn ogen, die alles zagen. Mijn hoofd, dat alles meenam in zijn slaap. En nu ik weer wakker ben, weet ik dat dit een moment was dat mij nooit zal verlaten.
Hoe kan dat? Een moment, en dat er toch altijd zal zijn?

En ik hoorde de stilte van de eerste dag. Ik keek naar een vlakte van stenen, die doorliep tot waar de wereld ophoudt, en hoorde de stilte. Dat wil zeggen: ik voelde de stilte dichterbij komen en zich in mijn oren leggen, met een zachtheid die mij kind maakte van verbazing. Dat het grote mij kent…

Ik wilde wel blijven, maar kon niet. Ik moest verder wiegen, nog een moment zoeken om in thuis te komen. Ik stond op, maar de stilte ging mee. Tot op vandaag gaat ze mee. Ergens in dit lichaam van me zit een plek die eindeloos zacht en dichtbij is.

Dat jij bestaat, zegt het grote. Zegt het afstandsloze kijken, zegt de stilte, zegt het heelal tegen mijn hand, zegt de wind over de vlakte. Ik heb een hoofd dat kan bewaren. Ik heb ogen die de sterren zien. Ik heb oren die warm worden van de leegte. Ik kan neerzitten tussen de stenen alsof ze broers en zussen waren. Zoveel stenen, zoveel zichtbaar geworden bestaan. Ik kan begrijpen dat mensen stenen meenemen naar huis. En dan vergeet ik nog het zand, de kleinste stenen. Kijk naar het zand, hoe elke korrel een zandheuvel maakt om te strelen, zuivere lichamen zonder enig ander doel dan lichaam te zijn.

Is dit poëzie, ver van het reële leven?
Nee, dit is wat mensen zien als ze kijken, wat mensen voelen als ze zich te slapen leggen op de grond, wat ze weten als ze ademen en water drinken aan de bron. Anders kan ik niet begrijpen waarom in deze harde natuur mensen blijven leven, in stof bedolven huizen van aarde, in tenten in het zand, omringd door stenen en zon. Ik bedoel: ergens voelen al deze mensen dat dit harde land hen gegeven is, en willen ze dit land doorgeven aan hun kinderen, en bouwen ze generaties lang wijsheid op om met dit land te kunnen leven. Slechts als er crisis is, zoals nu: vier jaar niet geregend, trekken de jongeren weg, naar de stad, om te overleven. Maar tot zolang is deze ruimte van hen, en zo ervaren ze haar ook. Is dit niet diep aangrijpend, dat zelfs de hardste stukken op deze aarde nog ervaren worden als gegeven, als geschapen voor mensen?

 

Ze gelijken op hun land, de mensen. In de kleuren van hun huizen. In de kleuren van hun gezicht. In de kleuren van hun kleren. Ze beschermen hun gezicht tegen zand en wind, de mannen, en in die omlijsting van blauwzwarte hoofddoek wordt hun gezicht nog aanweziger. Ze trekken hun hoofddoek schuin voor hun mond, de vrouwen, ze duwen hem tussen hun tanden, de meisjes, en hun ogen kijken nadrukkelijker dan ooit. Dat is de rijkdom van het weinige: dat het veel wordt.

Ik weet niet of het weinige miserie is, of armoede. Ik weet niet of de vrouwen gelukkig zijn, of ongelukkig. Ik weet niet of de blik van de kinderen onrust verraadt, of nieuwsgierigheid. Ik loop in deze eindeloosheid en zie wat zij ook zien: een land dat wiegt in zonlicht en avondschemer, in een vloed van stenen waar de geiten grazen, terwijl het zand door de wind wordt opgeblazen en in de ogen kruipt. Een land van horizonten, waar een bron een plaats is om te rusten en te praten, waar overal een tent kan staan omdat de hemel een tent is. Een land dat goddelijk is in zijn gegevenheid: gegeven het grote aan het kleine.
Als ik het goddelijke mag omschrijven als het grote dat zich geeft aan het kleine, dan staan die twee hier heel dicht tegenover elkaar. Deze oneindigheid van stenen brengt leven voort en onderhoudt het, al lijkt het klein en verloren, ook als het volwassen wordt en rechtop staat. Deze oneindigheid neemt het leven weer op, in graven met kleine rechtopstaande stenen, bij elkaar gezet als een stenen tuin in de verlorenheid. Het gezicht van de doden zelf ook tussen twee stenen gelegd, gekeerd naar Mekka. Twee parallelle stenen voor een man, één parallel aan en één loodrecht op het hoofd voor een vrouw. Naamloos in de aarde, alleen behoed door de herinnering en de verhalen.

Gegeven het grote aan het kleine… Nu, kijkend naar deze kleine stille voormiddag, besef ik hoe groot het kleine hier geworden is. Vliegtuigen, snelwegen, elektriciteit die schijnt in de nacht, zo komt een mens terug in het avondland, en hij beseft dat deze oneindigheid er een is van straten en afspraken en tijd die tijd tekort komt om alles te doen zoals afgesproken. Er is iets indrukwekkend groots aan de inspanningen die mensen leveren, aan de organisaties die ze kunnen opbouwen, aan het gevecht om die ingewikkeldheid dicht bij de mensen te houden. Als ze samen werken, de mensen, dan bouwen ze de toren van Babel bijna af.

Maar dat is de buitenkant.
De binnenkant van iedere mens, en wie goed luistert hoort wel eens wat, dat is de woestijn waarin het eenzaam staan is. Dat is de oneindigheid die gevuld moet worden. Al was het maar met het geloof dat deze grootheid van mensen, straten, papieren, afspraken, machines mij niet zal verwoesten in zijn stormen, maar mij zal leren leven op een manier die goed is. Met het verlangen, en wie weet de ervaring, dat in ook in mijn leven, in die oneindige binnenkant, het goddelijke een stap dichterbij zal zetten…

En weer denk ik aan het woord heilig. Dat de winkels vol liggen zal voor sommigen een heilige noodzaak zijn om goed te kunnen leven, maar heilig is dat niet. Heilig is dit kostbare leven dat we in onze handen houden, en waarvoor we dankbaar willen zijn, en dat iemand zegenen moet. Het is zo groot, dit leven, dat we soms duizelen, zelfs al staan we rechtop en kijken we niet weg. Het is zo groot en toch zo dichtbij gekomen, dat het ons soms de adem beneemt. En al die dagen die we vulden, zal iemand ze zich herinneren? En al die dingen die we maakten, die we hebben opgepakt, zullen ze met ons vergaan? En wie zal de zwaarte van ons wegnemen alleen te staan in het oneindige? Wie zal ons leren licht te sterven, zoals onze geboorte vanzelf kwam? Wie zal onze naam zingen, ook als we er niet meer zijn? Wie zal onze naam zeggen, als we moe en moegestreden zijn? Wie zal de pijn verlichten, en niet toestaan dat dit grote een brokje miserie wordt, om te huilen?

Wie de woestijn ziet, vraagt zich af hoe mensen hier kunnen overleven. Maar de vader leert zijn kinderen waar de geiten kunnen grazen, en groter leren is er niet. En de moeder heeft haar kinderen adem gegeven, en groter geven is er niet. Wie iets van de woestijn ziet in 's mensen binnenste, vraagt zich af hoe die ooit gevuld kan raken. Maar de kracht is over alle mensen verdeeld, en we blazen ze elkaar in zonder het misschien te beseffen. Wie de woestijn ziet rondom ons, vraagt zich af hoe een mens kan leven met de duizeling die hem overvalt. Maar de grote wijsheid leert ons kijken, langzaam maar zeker. De humanist gelooft in het samen leven en probeert het te perfectioneren. De wetenschapper blijft zo lang kijken tot hij iets denkt te begrijpen. De boeddhist probeert de duizeling te vergeten, in de hoop dat het goddelijke de leegte zal overspoelen. De islamiet buigt zich naar het goddelijke. De christen weet dat er een mens is geweest die het kleine zag: het kleine geld van de weduwe, de verloren zoon, de verstoten vrouw aan de bron. De christen weet dat het mogelijk is elkaar te zien in de kleinheid, op een manier die groot is. En dat de liefde geneest, weten ze allemaal, alsof het oneindige ooit tegen hen heeft gezegd: adem, kleine, en ze hebben geademd; kijk, kleine, en ze hebben gekeken…