Job <vorig  verder>

Weer Job gelezen, en weer onder de indruk. Het lijkt wel een boek van nu, van de jonge schrijvers die het leven een schop geven tot het op z'n andere zij rolt, en er niets aan vinden. Zelfs het schoppen lijkt zinloos geworden, want Job wordt er cynisch van, van zijn vragen, van zijn piekeren, "krom van verdriet". "Ben ik U soms tot last, Allerhoogste?", zegt hij, "Kijkt Ge nooit eens de andere kant op, ik krijg geen kans om mijn speeksel in te slikken!" Dit leven, er is niks aan, als de onrechtvaardigheid mag regeren, en de misdaad in een veilig huis mag wonen, door niemand verontrust, en de hoogmoed rustig in slaap kan vallen, "welgedaan en goed in het vlees, fris tot in het merg van zijn gebeente".

Cynisch wordt Job, als hij zijn vrienden hoort verkondigen dat al het lijden een straf is voor begane misstappen: "Ach ja, ziehier de wijzen met wie de wijsheid staat of valt". Hij voelt zich vernederd, want hij wéét dat het zo niet is. Zo was hij niet, zo zal hij nooit zijn, die laatste keuze voor zichzelf zal hij nooit maken. Zijn waarden verloochent hij niet, al wordt hij er bitter van.
Het zijn bittere woorden, als Job het hele bestaan in vraag stelt, roepend, zwaaiend met zijn vuist. Heel het bestaan klaagt hij aan, en de spot verraadt wanhoop: natuurlijk ben ik de man die dwaalt, natuurlijk ligt de fout bij mij, bij mij alleen. Hoe zou het anders kunnen, we gaan het leven toch niet de schuld geven… En toch, luister naar mij, "God is niet eerlijk, strikt mij in zijn net"…

Het is het gevoel van wie het lijden in deze wereld te dicht nadert. Zoals ik het schrijf, lijkt het of een mens daar een keuze in heeft, en soms is dat ook zo. Dan keert iemand op zijn stappen terug, gaat weer naar huis, verlaat het oorlogsgebied, het overvolle ziekenhuis, de kampen waar geen water meer is. Maar veel meer nog is er geen keuze, wordt iemand in de nek gesprongen, door ziekte, honger, onrecht, en voelt zich "een mens, kind van een vrouw, beperkt van dagen, overstelpt met zorgen, een bloem die bloeit en verwelkt, vluchtig als een schaduw, onbestendig". En weer gaat Job tekeer: "Op zo iemand hebt Gij het begrepen, zo'n kleine mens daagt Gij voor het gerecht". De bitterheid wordt met schokkende beelden weergegeven: "Wilt ge een neergewaaid blad opschrikken, achter een dorre strohalm aanzitten?"

Bang wordt hij ervan, Job: "Ik heb het niet tegen een mens, dat weet je toch?" Daarom ben ik zo bang, zegt hij op een bepaald moment, dit is almacht tegen onmacht, dit is wraak voor iets waar ik mijn hoofd over breek, en waar niemand zich tegen kan weren. "Hoe meer ik dat besef, hoe banger ik word."


In die zin is dit verhaal absoluut niet het cynische werk van een nihilistische schrijver, niet de bijbelse variant van "American Psycho" waar gruwelen begaan worden uit verveling. Daarvoor is Jobs wanhoop te groot. Daarvoor is zijn vraag te groot: het gaat om de zin van het lijden, als er zoveel van is, een dijkbreuk van miserie soms. Jobs vraag strekt zich uit over allen die lijden, hij stelt ze in hun naam: "Iemand moet toch bij God opkomen voor de mens, zoals mensen voor elkaar opkomen?" Job is groot in zijn aanklacht. Hij zegt wel dat, als hij spreekt "de pijn niet wegtrekt", maar hij blijft spreken. Zijn pleidooi voor inzicht betreft alles wat leeft, en hij wil een antwoord op alle fronten: filosofisch, religieus, moreel en emotioneel. "Dat alleen al pleit voor mij," zegt hij, "want een goddeloze durft zoiets niet."

Nee, het moderne cynisme is schaamteloos tegenover wie echt aan de grond zit. De vrienden van Job gaven hem hun schaamteloze verwijten en insinuaties. Vandaag ben ik blij als ik in de weergave van het lijden nog iets van Jobs vraag hoor doorklinken. Als de Foto van het Jaar me aankijkt met een blik die me niet meer loslaat. De Grieken hadden daar een woord voor: tragiek. Vandaag ben ik blij als ik in de media, in de kunst die tragische blik van Job mag ontmoeten, zoals in de blinde, dode paarden van Berlinde de Bruycker, zoals in reportages die met schroom het leed tonen van mensen. Elk leed is in zichzelf een mysterie dat al het andere leed samenvat, en verdient daarom alleen al nederigheid, respect. Ik ben blij, zeg ik, want al te vaak zie ik oppervlakkigheid, en de arrogantie van een afgestompte, of nooit verdiepte blik. Maar al te vaak merk ik een schaamteloos kapitalisme, alsof "mensen die voor elkaar opkomen" iets is van een oude, voorbije tijd. Wat zou Job vandaag zeggen tegen zijn gesprekspartners, "gezeten in as en vuil"? Misschien zou hij geen vrienden meer hebben, Job, enkel een camera die inzoomt op zijn zweren, en op de scherf waarmee hij ze afkrabt.

Tegen deze achtergrond eindigt het verhaal op een indrukwekkende wijze. God, die paginalang ter verantwoording is geroepen, soms zelfs direct aangesproken, spreekt plots zelf. En geeft geen antwoord, maar voegt aan al die vragen vragen toe! Jobs vrienden, die stelden dat wie het goed heeft, gelijk heeft, krijgen geen antwoord. Dat vind ik van een indrukwekkende kritiek op de gang van onze maatschappij, waar mislukking niet geduld wordt, waar succes koopwaar wordt, zoals vandaag mensen zich laten gebruiken door de entertainmentbusiness, zoals managers voor grof geld van bedrijf naar bedrijf trekken, zoals het welzijn schaamteloos gelijkgesteld wordt aan bezit. Heeft gelijk wie macht, geld en bezit heeft? Geen antwoord. Heeft gelijk wie gezond, mooi en slim is? Geen antwoord. Maar geen antwoord is ook een antwoord… Diezelfde verbolgen stem waarmee bijvoorbeeld Geert van Istendael opstaat tegen de leugens van een meedogenloos kapitalisme, klinkt hier ook. De waarheid ligt niet in het succes, in het machtige kopen en verkopen, in het bunkeren van goederen tegen het komende onheil, in het zelfvoldane spotten, nee, de waarheid ligt diep, heel diep, in het verhaal van elk lijden. En elk lijden is een mysterie, en verdient iemand als Job, die roept, die tekeer gaat, niet aflaat om uitleg te vragen. Elk lijden verdient begrip, solidariteit, genegenheid en een zachte blik. Elk lijden verdient een naam, een verhaal, een beeld dat aangrijpt en stil maakt. Elk lijden verdient een antwoord.

En Job, krijgt hij een antwoord?
Soms gebeurt het dat iemands leven ineenstuikt. De bel gaat en er is een ongeval gebeurd. Iemand is verdwenen en op een briefje staat 'sorry'. Iemand wordt gevraagd zijn email te checken, en hij leest zijn ontslag. Jobs wereld stuikt van alle kanten ineen, teveel voor één man, teveel voor één lichaam. Het wordt bijna sec opgesomd in de proloog van het verhaal. Maar het is een vloedgolf, een verwoesting. Krijgt zo iemand uiteindelijk een antwoord?

Ook niet. Of toch. Waarom is Job zo anders na de woorden van God? Hij is niet het doetje dat zich laat afschepen, hij is niet de conventionele denker die zich weer in het gareel laat plooien. De ommekeer is bijna onbegrijpelijk: "Alleen van horen zeggen kende ik U, nu heb ik U gezien met eigen ogen." Wie heeft Job gezien met eigen ogen?

Storm en wind heeft Job gezien, want in storm en wind begint God te spreken. Het hele universum heeft Job gezien, want God doet in woorden zijn schepping over, telkens Job vragend waar hij was toen de aarde "werd gebouwd", toen de zee "los wilde breken uit de moederschoot, gekleed werd in wolken en gehuld in windsels van morgenslierten". Vertel op, zegt God, uitdagend spottend, lijkt het wel, tot zijn "schuldeiser". Het klinkt bijna sympatiek in plaats van verwijtend, zoals je nog eens aan een kind uitlegt wat het eigenlijk al weet. Want het gaat niet om weten, maar om ervaren, met eigen ogen zien om te kunnen geloven. Vandaar Gods lyrische talent in het uitbeelden van die grote schepping uit zijn hand: "Waar in het oosten waaiert de dageraad uit? Heeft de regen een vader? Van wie stammen de dauwdruppels? Uit welke schoot komt het ijs voort, wie is de moeder van de rijp die uit de hemel valt?" Het zijn geen vragen voor Job, maar beelden voor zijn oog, herinnering voor zijn hart. Het is geen antwoord maar een gloria, een halleluja, een zang. Job krijgt zijn antwoord, en het is geen filosofisch, religieus, maatschappelijk en individueel antwoord. Het is een gedicht, een blik op de oneindigheid van al wat bestaat. De mensen zijn opvallend afwezig in Gods verdediging van het bestaan. Zij krijgen de vragen, want het zijn de mensen die met blindheid zijn geslagen, niet de dieren en de vogels want "wie draagt voedsel aan voor de raven wanneer hun jongen krijsen tot God, fladderend van de honger?"

Het zijn "wondere dingen", en ze troosten Job.
Kunnen wondere dingen het lijden troosten, het grote lijden? Kan het morgenlicht "dat de aarde bij zijn einders grijpt" troosten, geven de vogels en de dieren antwoord op de verbittering? Misschien is het mysterie van het bestaan groter dan het mysterie van het lijden, misschien is de blik "die heel de uitgestrektheid van deze wereld omvat" van een groter begrip dan de blik die het lijden wil begrijpen? Schroom overvalt me als ik zo spreek, omdat ik weet dat lijden zo kan overweldigen dat mensen er uit willen stappen, een einde willen maken aan dat bestaan dat hen gegeven werd. En toch: misschien is wat is groter dan wat niet is…

Misschien had God er nog een paar vragen aan toe moeten voegen: Wie, Job, heeft dit bestaan in jou gelegd, dat je zo dierbaar is, zo dichtbij, zo wezenlijk dat je er om huilt? Wie heeft dit visioen van gerechtigheid in jullie, mensen, gelegd, dat jullie zo schreeuwen kunnen, blijven vechten en hopen? Ze is er niet, die gerechtigheid, en ze is er wel, in jullie hoofd en hart, en dat wonder laat jullie nooit meer met rust, een kracht die de aarde zal vernieuwen…

Een indrukwekkend werk, zei ik in het begin. Niet in het minst door de taal. Ik heb veel geciteerd, omdat ik de taal zo sterk vind. Het is een mooi geconstrueerd verhaal, als een rechtszaak, met aanklager en verdediger, en het verdict van de Rechter. Maar het mooist zijn de lyrische passages. Dit werk is echt een gloria, geschreven tot eer van een Mysterie voor wie het woord "luisterrijk" werd geschapen. Indrukwekkend is de klacht van Job, is zijn woede, zijn verdriet, zijn wanhopige spot (zoals in hoofdstuk 30). Maar nog indrukwekkender vind ik een passage als de volgende, één uit de vele "wondere dingen" waaruit dit werk is opgetrokken en die Job het basisvertrouwen teruggaven in zijn bestaan, zijn tweede geboorte:

"en dan spant Hij de noorderhemel uit boven de diepte
en Hij laat de aarde drijven op het niets;
dan perst Hij het water in wolken
en toch scheurt de nevel daaronder niet;
dan verduistert Hij de volle maan
en hangt er zijn wolken voor;
dan schrijft Hij een horizon aan de einder van de zee
waar licht en duisternis elkaar ontmoeten."
(26,7-10)