Lente <vorig  verder>

De roze bloemknoppen van de kerselaar, die al maanden gereed zaten, springen nu gezamenlijk open. Vertraagd vuurwerk, van 5 op 5 meter, vlak voor mijn ogen. Straks komt er een zee van roze licht uit en baadt deze kamer in onwerkelijkheid, zo intens is dit gloeien. Haar eigen intelligentie, haar erfgoed van kleur laat ze los, deze boom.

Waarom ik veronderstel dat ze vrouwelijk is? Misschien om de jarenlange onbeschaamdheid waarmee ze wil pronken, om de vingervlugheid waarmee ze bewegingen maakt, om de nonchalance waarmee ze aanwezig is, om de overvloed die in haar bijeenkomt.

Heel de tuin is trouwens zichzelf te buiten aan het gaan, en in die beweging mag ik delen. Jezelf te buiten gaan, het is wat een mens doet als hij vergeet dat hij er is, en bloeit zonder dat hij het beseft. Over de grenzen vloeien alsof het niets is, in wat ook maar kijken en luisteren wil. Planten vragen zich niet af of ze mogen, of ze zich genoeg beschermd weten, of er genoeg vertrouwen is. Planten bloeien, gloeien van kleur en vorm, nemen onbeschaamd ruimte in om zichzelf te zijn. Een mens kijkt om, vraagt zich twee keer af of het goed is.

Maar soms is het goed, en dan stralen mensen. Wat kunnen mensen stralen! De intensiteit waarmee ze zich te buiten gaan aan volheid… De dichteres Vasalis heeft heel haar leven geschreven over die dans tussen vol- en leeglopen, tussen willen en mogen, tussen beweging en stilstand. In een van haar gedichten is ze een "oceaan van wachten, waterdun omgeven door het ogenblik". Hier is het de stilstand die eindeloos is, een eeuwigheidservaring die straks, onvermijdelijk, kapot springt als een zeepbel.

Dat is het ontroerende aan mensen, dat ze zich te buiten gaan in al hun broosheid en kwetsbaarheid. Zo'n bloem bloeit maar, tilt haar vers gestreken kleren schijnbaar moeiteloos de lucht in, ook al niemand kijkt. Maar mensen willen gezien worden. Als ze hun verhaal vertellen, moet er iemand luisteren.

Even een oefening in kijken tussendoor : het bijna oranjegeel van de ranonkelbloempjes, het bleekgele rokje van de paasbloem rond het forsere geel van zijn crêpe kelk, het botergeel van de tulp, het groengeel van de spirea, het vaalgroengeel van de uitkomende esdoornbladeren, het zieke herfstgeel van de bevroren bladen van de camelia, het stille geel in het mos, het jonge geel van de nieuwe ligusterblaadjes, het geel dat in de brem nog onzichtbaar ligt te slapen, het grijsgeel van de koolmezen, het waterige citroengeel van de wasknijpers aan de draad. Heel deze tuin is een oefening in geel. Misschien zelfs een betekenisloze oefening. Behalve om er te zijn. Behalve voor de overvloed. Behalve voor het wonder. Behalve voor de grote dans die alles doet bewegen.

Mensen daarentegen zijn betekenismachines en betekenisverwerkers. Zo worden ze wakker in zichzelf, zo dragen ze hun kostbare lichaam door de tijd en door de ruimte, zo gaan ze dood. Er is zoveel kostbaars in dit leven, en enkel mensen lijken dit te beseffen. Als dieren pijn lijden, trekken ze zich terug in een hoekje, in een soort stoïcijnse heroïek. Als planten bevroren uit de winter komen, schudden ze de dorheid van zich af en maken er verder het beste van. Tenzij ze echt dood zijn, en ook dan heeft niemand iets gehoord.

In de omgeving waar ik woon woedt een soort hetze tegen bomen. Plots zie ik cijfers en tekens op stammen verschijnen, en als ik nog eens langskom zijn ze geveld. Soms zijn ze al weggevoerd. Het was, geloof ik, Octavio Paz die schreef dat bomen elkaar voor dergelijk onheil waarschuwen. Ik heb het nooit gehoord. Maar wat zal ik ze missen, de populieren, zoals ze de wind opvingen en teruggooiden en weer opvingen, die golvende zee die mijn hart meenam en liet vollopen met ruimte, grote wiegende golvende ruimte.