Parijse impressies <vorig  verder>

1

 

In de grote overzichtstentoonstelling van Pierre Bonnard doet zich iets merkwaardigs voor met veel schilderijen: ze stralen, als ik ze op een afstand bekijk, zelf licht uit. Ik gaap er mijn ogen op uit, telkens weer dichterbij en verderaf gaand. Hoe doet ie het, vraag ik aan de vrouw waar we bij logeren, zelf een talentvolle aquarelliste. Hij doet het met geel, zegt ze.


2

 

Rembrandt doet het met licht en donker, dat weten we. Maar als ik in het Musée Jacquemart André voor zijn Emmausgangers sta, weet ik even niet meer wat ik zie. Achter het hoofd van Jezus brandt een licht zo fel, dat alleen nog het zwarte silhouet van zijn hoofd zichtbaar is. Alsof Rembrandt wou schilderen wat er achter de dood ligt, een vuur dat aansteekt als een groot licht. Het personage in het midden, met grote ogen kijkend, is in de vertrouwde clair-obscur overgangen geschilderd. En links, op de achtergrond, is in diepe schemer een tweede personage bezig in de keuken. Ook dat is mooi: dat het leven doorgaat.


3

Over de Seine lag ook licht. Het werd avond en het licht schoof onder de Pont des Arts door en liet het water breed stromen. Zoals de huizen heel hoog mochten staan. Hoog en breed, dat wandelt makkelijker voor een kleine wandelaar.


4

In de voorsteden was het licht grijzer. Maar misschien was dat omdat ik in de bus zat, en nauwelijks naar buiten kon kijken. Je kijkt ook niet naar buiten, als voor je tientallen gezichten het meest persoonlijke verhaal willen vertellen. In de hoofden van de jonge mensen staken oortelefoontjes, daar klonk dus muziek. In de hoofden van de oudere mensen zullen wel stemmen geklonken hebben, exotische klanken die stilletjes over de grenzen meegenomen werden naar dit Parijs van het Westen.


5

Voor het Centre Pompidou, voor het chique Galeries La Fayette stonden rijen tenten, voor de clochards allicht of voor wie vandaag nu clochard is. Binnen een luxe groter dan ik ooit zag, buiten een dun zeildoek, met wat kleingoed, soms een plantje en soms een hond. De wind woei door de straten, als het licht even genoeg had viel er wat sneeuw.


6

Over de huizen van St Germain vloog traag een reiger. Un héron.

 


7

Beneden liepen we tussen de antiquairs, elk met zijn periode of specialisatie. Er was een winkel waar ze handtekeningen verkochten. Letterlijk: alles wat ooit een handtekening had gekregen van iemand met een bekende naam. En dat vier uitstalramen lang.


8

In de Marais zei de vrouw dat ze Hongaarse was en kreeg ze van de Jiddische bakkerin een van de augurken waar ze naar wees. Augurken en strudel, net zoals thuis. Twee huizen verder stond de synagoge open, rijtjeshuis tussen de andere, en maakten enkele mannen zich klaar om binnen te gaan.


9

In de Sainte Chlotilde woei een bries door de hoge ruimte. In deze kerk was César Franck jarenlang organist geweest. Nu speelde de wind orgel, een zachte melodie waarvan ik niet wist of ze binnen of buiten was.


10

De Hongaarse mevrouw vertelde over haar leven. Is wat je overkomt alleen voor jou weggelegd? Of moeten we daar niet teveel achter zoeken, glijden de dingen met en door elkaar zoals het verkeer buiten, met af en toe een accident de parcours? Veel verklaring is er nooit. Maar hoe vervolg je nadien je weg? Zo'n leven, je zou het moeten kunnen vastnemen als een kostbaarheid in St Germain. Niet dat het zoveel geld moet kosten, maar even vastnemen en zien hoe uniek het is. En dan weer voorzichtig terugleggen, dat de anderen het ook kunnen zien.