|
1
Geluid is alleen buitenkant, zo lijkt het. Maar als er een buitenkant
is, dan is er ook een binnenkant. Toen ik klein was, drukte ik mijn
hoofd in het kussen en hoorde ik mijn bloed ruisen in mijn oor, wondere
beweging van de oceaan leven binnen in mij, onzichtbaar, een beetje
voelbaar, maar nu zo sterk aanwezig als onophoudelijk kloppend geluid.
Vijftig jaar later is dat geluid er nog, en stelt het mij gerust: mijn
bloed kent nog de weg, mijn hart houdt nog niet op, ik mag nog meebewegen
in de grote stroom die mij vult met kracht.
Zoals de poes plots het zot in haar kop krijgt, zonder reden wegschiet,
of rondjes draait rond haar staart, zo overvalt het soms ook mij: dwaas
doen, hoger springen dan mezelf, gieren van het lachen. Als het maar
beweegt wat ik doe, als het maar geluid maakt. Het is niet de etiquette
die bij een bepaalde leeftijd hoort, je wordt iets te meewarig nagestaard,
en als je katers hebt of kruisbanden scheurt, dan bevestig je hun grote
gelijk. Maar waarom mogen alleen kinderen huppelen en zingen, en rolletjes
uitvinden die ze ter plekke acteren, en huilen en handen grijpen, en
stil worden bij al wat rond hen meedraait, al zingend
?
2
Buiten zie ik glanzende laagjes licht op de takken liggen. Zou het zonlicht
ook geluid maken als het zich door de ruimte haast tot hier? Kreunt
de tak van genot als hij zo geschilderd wordt? In elk geval beweegt
hij, de tak. Onophoudelijk is zijn dans, als een weekendfuiver onder
stoom. Soms als een galante danser. Soms als een choreograaf die een
nieuwe beweging zoekt. Welke muziek, welke ritmes hoort hij? Zijn gehoor
is veel fijner dan het mijne. Soms hoor ik iets van de hele ingewikkelde
ritmes van de wind, vaak zijn het enkel grommende verten die ik hoor,
als een toeschouwer op veilige afstand.
Nochtans hou ik van de wind. Als klein jongetje liep ik bij stormweer
naar buiten en onder een afdakje zat ik dan te kijken naar de voorbijrazende
hemel, liet ik mij vollopen met het geruis en gesis en getier. Zonder
angst, integendeel, iets van die grote kracht maakte mij van binnen
ook groot, alsof ik zag dat ook de hemel uit zijn dak kon gaan, wilde
voelen en horen hoeveel leven hij droeg, en wilde rennen, opspringen,
roepen en zingen. En die arme donders van wolken maar mee opgejaagd,
terwijl ze niets liever wilden dan stilletjes grazen of rustig liggen
herkauwen
3
Geluid is de buitenkant. Mijn stem is mijn buitenkant. Maar met de stem
komt de binnenkant mee, een beweging die een mens soms hulpeloos achter
kan laten. Spreken is een geluid waar ik nog altijd kan van schrikken,
alsof het te groot is dat ik een binnenkant heb, en dat ik ze loslaat.
Is het verlegenheid die ik dan voel? Ik weet het niet, verlegenheid
is ook maar een woord. Maar het overvalt je, dat geluid dat je wilt
gaan maken, of al gemaakt hebt. Er is iets te groot aan, te dichtbij,
te onduidelijk. En je weet: dat ben ik niet, die woorden spreken een
vreemde taal. En je zou het nog eens kunnen proberen, maar je doet het
niet. Die beweging die naar buiten wil, is ook zo groot, hoe moet je
die innerlijke wereld van je in keurig begrijpbare, handig overdraagbare
zakjes gieten?
Als het geen verlegenheid is, dat spreken, dan is het soms leeglopen.
Het zal niet elke dag gebeuren, maar als het gebeurt, is dat geen prettige
ervaring. Je maakt geluid, en van binnen kruipt een kind in een hoekje.
Maar als geluid-maken-dat-betekenis-wil-dragen zo'n risico blijft, dan
is het ook duidelijk wat een zegen iemand is die kan luisteren. Die
blijft luisteren, en niet onmiddellijk zijn eigen tater openzet. Die
een andere leegte schept, waarin het weldadig leegstromen is. En nog
hoger is een waarlijk goed gesprek. Dat is niets minder dan een groot
geluk
Ach, met de jaren leer je zien dat niet het spreken het hoogste is,
maar degene die je laat spreken. Sommigen laten je klinken als een goedkoop
plastic toetertje, anderen als een oude zingende viool. Klankkasten
zoeken we, ruimtes die als een spiegel ons aan onszelf teruggeven, klinkend,
zingend, opstijgend van de grond. Woorden zijn niets als ze niet teruggegeven
worden, ingeademd, gekleurd, gevuld met betekenis
4
Het geluid van de vogels om vijf uur 's morgens, toen we uit het ziekenhuis
kwamen waar mijn pas gestorven moeder opgebaard lag. Een uur lang hadden
we bij haar gezeten, in de ivoren stilte van de dood. En nu, plots,
in de muziek van het leven. Waarom zongen ze zo luid, de vogels? En
zo groot? Ik liep naar de auto en dacht: ze zingen voor mijn moeder
|