|
Beeld van toen ik klein was: twee prenten in hun geverniste lijsten,
aan weerszijden van de buffetkast. Een Heilige Familie, met Jozef aan
het werk, planken zagen, en Maria en Jezus in de vertrouwde omgeving.
En een engelbewaarder die zich over een jongetje buigt dat een beek
wil oversteken. Ik herinner me de tweede voorstelling levendiger: twee
enorme vleugels die bijna het hele werk vulden, de rust van de engel,
de zekerheid van het kind.
Nog een beeld: als het nacht werd en donker, ging ik, kind nog, aan
mijn ouders een kruisje vragen voor het slapengaan. Dit beeld is het
verst, bedolven onder jaren. Ik kan me die kleine aanraking op mijn
voorhoofd bijna niet meer herinneren, zo lang geleden is alles, zo onvoorstelbaar
anders is de wereld geworden.
Maar sliep ik er beter van? Liep ik rustiger over straat, in het besef
dat mij niets kon overkomen? Natuurlijk niet. Ik had groeipijnen, en
hoorde mijn vader tekeer gaan in zijn dromen, werd soms wakker met het
beklemde gevoel dat er weer ruzie was. En als ik in de gracht viel,
moest mijn vader me er uit halen, en bij het oversteken hielp alleen
goed uitkijken en wachten.
En toch hingen die prenten aan de muur, en toch vroeg en kreeg ik een
kruisje. Waren de mensen toen naïever, wereldvreemder dan nu? Ik
geloof het niet. Mijn ouders hadden twee wereldoorlogen gezien, en ze
spelden de krant, en het leven had hen niet verwend.
Ze geloofden, denk ik, in bescherming. Hun bescherming, want ze zouden
hun leven gegeven hebben voor hun kinderen, misschien zelfs voor ieder
die er om vroeg. Er was iets fundamenteel goeds aan die twee mensen,
al wilde de tragiek dat ze zo moeilijk met elkaar konden praten, wegens
zo verschillend. En het was een tijd dat er nog geen woorden waren voor
de binnenkant.
Ze geloofden ook in een grotere bescherming. Want wat zeiden ze bij
die kleine aanraking: "God zegene en beware je". Dat is niet
niets. Dat deze grote schepping, waarin dit kind loopt, niet toesta
dat het verloren loopt. Dat deze schepping geen mensenkind vergete.
Ik schrijf het hier in de wensvorm, maar ik vermoed dat zij het in de
tegenwoordige tijd zouden zetten, als een feit dat hun leven ondersteunde.
Zoals zij mij wilden beschermen, zo beschermde hen een vertrouwen dat
groter was. Deze wereld keek met dezelfde ogen naar mens en ding als
zij, met een goedheid die alles wilde dragen.
Dat was de betekenis van die prenten aan de muur, en van dat afscheidsritueel.
Mag een mens inslapen als een kind, over straat lopen als een kind,
vragen stellen als een kind, in de zekerheid dat hij niet alleen is?
Voorzichtig zijn, zei mijn moeder, en nog altijd zeggen moeders het,
en nog altijd weten kinderen en grote mensen dat hun moeder dat zegt,
zelfs al zegt ze het niet meer, zelfs al is ze dood. Er is iemand die
hen wil bewaren.
Er is iemand die hen wil zegenen. Zegenen is die uitbundige wil om iets
te laten groeien, bloeien, overslaan in een veelvoud van leven. Zo stralen
ouders als hun kinderen groter worden dan henzelf, want daarvoor zijn
ze ouder, om iemand niet alleen aanwezigheid te geven, maar een grote
aanwezigheid. En er zijn veel ouders. Al wie het leven oppakt en droog
en warm wrijft, het leert vliegen op eigen kracht, is zegenende vader
en moeder. Want het zit in alles wat ze zeggen en doen, het zit in hun
ogen en hun gezicht, het zit in hun dromen: moge het je goed gaan, kind,
mijn kind, mijn gevonden kind, kind dat op mijn weg kwam, zorgenkind,
wonderkind.
Zegen is dat het leven er in slaagt te tonen dat het goed is. Zoals
in de oude zegening van Aaron (Numeri 6, in die glanzende Statenvertaling):
"De Heere zegene u en behoede u; de Heere doe zijn aangezicht over
u lichten en zij u genadig; de Heere verheffe zijn aangezicht over u
en geve u zijn vrede". Als het leven ons behoedt, ons genadig is,
licht legt over ons gezicht en vrede in ons hart, dan is het leven goed
voor ons.
Is er wijsheid in een dergelijke levenshouding? Kunnen we het leven
zo vertrouwen? Als ik denk aan mijn ouders, dan kan ik dat. Ze lieten
mij los en bewaarden me tegelijk. Wonderlijk is dat. Net zoals het leven
zelf. Ik hol door de dag, en mijn adem blijft me dragen. En dat ik ouder
word en weer weg moet gaan, leert me de dag die ook voorbij is en mij
laat inslapen, als een kind in een warm huis. Engelen heb ik nooit gezien,
behalve op prenten en in ontroerende gotische beelden, maar het begrip
engel koester ik. Dat leven een voorwerp is van zorg. Onbegrijpbare
zorg, onvoorstelbare zorg misschien, zoals een kind ook niet beseft
waar zijn ouders mee bezig zijn, enkel dat ze er zijn. Dat het er bij
mag zitten, bij die zorg, kijken en luisteren, misschien alleen maar
naar planken zagen, of om de restjes op te eten van de vorige dag. Maar
niet alleen, nooit zinloos alleen.
|