|
1
Oma is weer gevallen, de derde keer al in korte tijd. Haar carrosserie
wordt broos, de onderdelen schuren en scheuren. En dan is de grond de
altijd aanwezige moeder, de buik waar alles uiteindelijk terecht komt.
Ze zit in het ziekenhuis in een zetel naast haar bed, omringd door een
pak groot geworden kinderen. Het gestolde bloed heeft haar wang en voorhoofd
bont en blauw geschilderd. Maar haar ogen staan helder, en haar glimlach
draagt haar hele gezicht.
Als ik ze zo zie zitten, de volwassen zonen en dochters, vraag ik me
af wat hun breekbare oude moeder voor hen aan betekenis bijeen brengt:
niet alleen de vrouw die aan hun eigen kleine, broze oorsprong stond,
maar ook de vrouw die hen eten gaf, hun kleren waste, met zakdoekjes
en glimlachjes tranen wegnam. Als je bij je moeder zit aan een ziekenhuisbed,
ben je allicht weer het kind van vroeger bij zijn enige moeder.
Herbeleven om beter te kunnen bewaren
Want straks volgt het afscheid.
En ook dat is een geheim. Zoals een kind in het leven gewiegd wordt,
zo wiegt een lichaam zich langzaam naar de grond. En wat kun je dan
doen dan zelf moeder worden: helpen bij het eten, kleren wassen, zakdoekjes
geven als ze nodig zijn. In oma spoelt een ondoorgrondelijk mysterie
aan, golfslag na golfslag wordt ze erdoor gekleurd. Soms drijft ze mee
en hobbelt ze onder onze ogen weg, klein hoopje mens, zo verloren. Dan
raken we zelf ook verloren en pakken we ons zwijgen mee naar huis. Maar
meestal houdt ze zichzelf bij elkaar, glimlacht bij onze humor, verweert
zich als ze niet akkoord gaat, heeft ze die frisse blik die de wereld
aankan.
Zal ze straks met kleine schokjes uiteendrijven, tot ze zichzelf echt
niet meer bijeen kan rapen? Zal ze slapend meegenomen worden door haar
nieuwe moeder? Zal het een reis zijn die ze met haar eigen, clevere
ogen kan volgen? Of zal iemand, haar gestorven man van dertig jaar geleden
misschien, haar wakker maken?
We gaan niet alleen met elkaar om, maar ook met het leven in elkaar,
dat raadsel dat zo dicht komt en zich toch niet laat vangen. Waar je
bij moet zitten, zwijgend, liefhebbend, beetje helpend. Dat je namen
moet geven, bekende en onbekende. Dat je moet groeten bij het binnen
komen en bij het afscheid, liefst met een aanraking, alsof in dat ene
moment de afscheiding tussen ons even wordt opgeheven.
We gaan niet alleen met elkaar om, maar ook met het raadsel in elkaar.
Deze moeder is niet alleen de oma die we zo goed kennen, maar de dans
die de hele wereld in haar armen houdt, de grote arm die optilt en weer
loslaat, in een beweging zo ontroerend dichtbij en dan weer zo ongrijpbaar
ver. Laten we mee wiegen met oma en met elkaar, en glimlachen zoals
zij, bij elke nieuwe sprong.
2
In de Chapelle de la Trinité (Roussillon) zie ik een levensgroot
kruis boven een zijaltaar hangen, de armen loodrecht op het lichaam,
het lichaam dicht tegen het hout gedrukt. Een soort rechtop liggen.
Geen barokke expressie van lijden, de ogen half gesloten, meer niet.
Een uitdrukking van oneindige overgave, aan het moment nu dat pijn doet,
en aan het grotere dat met dit moment meekomt en blijkbaar groot genoeg
is voor vrede en rust. Ik blijf maar kijken naar dit serene gezicht,
heel lichtjes gebogen. Zal ik er zo bij liggen in de dood? Wat is het
dat een stuk hout zo aangrijpend kan maken?
3
In Soul, de tentoonstelling in het Brugse Groot-Seminarie zie ik The
Great Nada, een levensgroot schilderij van Thierry de Cordier, één
zwart gat van een vlak. Slechts als ik een stap opzij zet, zie ik dat
hij een kruis geschilderd heeft. Er moet licht op vallen om het te zien.
Geschilderd, overschilderd, weggeschilderd. Maar een kruis verdwijnt
niet. Er komt altijd een moment dat er licht opvalt en je de open pijn
ziet, het wegvluchten, het verbergen. Is dit dan nada? Onbestaan dat
toch pijn doet? Een soort lang vallen dat niet ophoudt, richtingloos,
zoals de armen van het kruis? Of is nada soms een terugkijken, een vraag
die zelf pijn wil doen, wakker wil maken, een gebaar dat wil slaan?
Soms moet het leven zijn wonden laten zien. Soms wil het leven zijn
littekens laten zien, verticaal en horizontaal, naakter kan niet. Nada:
is er dan niets als we zoveel ineens zien? Nada: of is er nergens, nooit
een antwoord, behalve misschien dit toevertrouwde zien? Dat mensen een
kruis in hun lichaam dragen en willen dat het gezien wordt, dat er wat
licht op valt
|