Erkenning <vorig  verder>

Wat erkenning is, weten we allemaal. Die blik, die aandacht langer dan voorgeschreven, die goedkeurende woorden, die nabijheid die zich lijkt te warmen aan wat we zijn. We weten het omdat, letterlijk, "ons hart opspringt van vreugde". We weten het omdat we plots helder worden, doorzichtig, niet meer beladen met schaduwen, maar een aanwezigheid die zichzelf vullen mag met zijn wondere aanwezigheid.

Het grondwoord in erkenning is 'kennen'. Zou het kunnen dat erkenning iets met denken te maken heeft, een diepere vorm van inzicht is? In de spiegel van de ander bereik je niet alleen een hogere vorm van jezelf ervaren, maar leer je ook jezelf kennen, vol groei die nu begint. Het leven moet toch altijd weer binnen ons zijn naam krijgen: als we licht worden door wat de ander met ons doet, zou ook het leven dan niet licht zijn, vleugelslag die ons optilt en in beweging zet? Als de kracht ons doorstroomt van erkenning, dan moet die kracht toch in ons te wachten liggen? Erkenning is niet alleen een aanraking, maar leert ons ook denken over het leven: we zijn niet veroordeeld, we zitten niet opgesloten, als we zo kunnen bewegen. Bewegen is alles, vandaar dat de deur op een kier moet, het licht aan moet blijven in de gang. Als het op vertrouwen aankomt, blijven we kinderen. Met sommige zinnetjes van erkenning vullen mensen een heel leven, dekken ze zichzelf toe in de donkerste momenten. Met wat ooit iemand zei, redden ze zichzelf van de verlamming. Als ooit beweging mogelijk was, dan weer nu. Misschien niet dadelijk, maar toch.

Een ander denken dat erkenning installeert, als vanzelf, is dat van de verbondenheid. In de ogen van de ander word ik zelf mooi, goed zoals ik het voordien nog niet wist. In die aanwezigheid tegenover mij vind ik mezelf terug, als was er iemand die mij kende voor ik mij kende. Het geloof in mensen, zou het dan toch één en ondeelbaar zijn, dat we het bij elkaar terugvinden, als iets dat we zochten en verloren waren?
En niet alleen het vinden wordt erkend, ook het zoeken, die wondere beweging die betekenis maakt. Wie vindt heeft slecht gezocht, schrijft Kopland. Is dat zo? Het vinden is een wonder, een geluk, maar als een lichtvlek zo tijdelijk en ongrijpbaar, een foto van hoe het kan. Maar het zoeken, daaraan raakt de echte erkenning: aan de trots mens te willen zijn, aan de moed een bewijs te willen vinden voor het bestaan, aan de grote intelligentie helderheid te willen, niets dan helderheid, als een formule die nog werkt ook, aan het verlangen om weer los te laten, want te groot voor een mens alleen. In het zoeken-met-zijn-duizend-gezichten ligt de grootheid van een mens die ooit in de spiegel keek en dat nooit meer kan vergeten: de spiegel van zijn moeder misschien, de handen van zijn vader, de woorden die ooit iemand sprak, het gebaar dat ooit iemand maakte. Zo diep gaat een mens, en wie zal die diepten alleen vullen? Een mens is nooit van zichzelf. Zo is hij geboren, zo zal hij hopelijk sterven, in armen die hem neerleggen, hem toedekken. Altijd weer dat verlangen: sla mij aan, dat ik klink, dat er water ontspringt; noem me bij mijn naam, dat ik geloof dat ik besta.

Erkenning, hoe klein ook, herstelt iets van dat grote geloof in de mens, dat we allen moeten delen om mens te kunnen zijn. En uit dat gedeelde geloof ontspringt gedeelde kracht, scheppen mensen hun wereld, te beginnen met zichzelf. Een toelating om mens te zijn is erkenning. Inspiratie om mens te zijn, wil en kracht en overtuiging. Een leermeester is erkenning. En van leerling worden we zelf meester. Meester in het leven, in de levenskunde. Erkenning is wederkerig zoals alles wat we zien wederkerig is, een spiegel is meer dan de spiegel, we dragen elkaars beeld en gelijkenis door de dagen en door de tijd.

Die gezamenlijke scheppende beweging is onverwoestbaar, sterker dan de dood, al moeten ook wij sterven. En als dat niet zo is, als we wegkwijnen achter ramen, als we aan de rand van de weg liggen, verhakkeld, vrouw met kind, soldaat die niets vroeg, fietsende jongen, dan nog zal iemand ons gezien hebben, ons toedekken en begraven. In de wanhoop van het hart is erkenning de hand die ons redt, ook als we dood zijn en verloren, lijkt het. Nooit zullen mensen stenen worden, verpakkingen die men hergebruikt. Nooit. Wij verlangende, wetende, geziene, gespiegelde mensen.