|
1
De avond is bewegingloos zoals alleen avonden dat kunnen zijn, de stilte
staat bijna tastbaar tussen de huizen en even zijn ook de bomen moe.
Neerzitten na gedane arbeid, dat is het. Er is nog een flesje bier tekort,
en een kwinkslag, maar voorlopig moet ieder het doen met even diep zuchten.
Uitblazen, dat restje energie, dat overschotje warmte, terwijl de eerste
koelte al voelbaar wordt en een mens zich afvraagt waar die vandaan
komt, vanuit de grond of langs onzichtbare koordjes neerdalend uit de
lucht? De bomen weten zulke dingen al van als ze heel klein zijn, mensen
niet, die leren optellen en vermenigvuldigen en rondlopen. Maar ja,
je wordt mens of boom geboren, veel keuze is er niet in het leven. Misschien
dat de doden het geheim van de koelte kennen.
Op de nok van buurmans dak hoor ik een merel zingen. Merels zijn dorstige
wezens, ze zingen alsof er constant water door hun keel klatert. Maar
deze slurpt heel de vochtige avond leeg, zo luid gaat hij tekeer. Staand
op de rand van het dak lijkt het alsof hij zingt voor een publiek van
stilstand en blauw en schaduwen. Ik luister mee, blij dat ik er bij
mag zijn. Ik begrijp dat ik niets moet zeggen, dat ik niets moet doen,
dat hij de opening zal vullen, hoe klein hij ook is. Roerloos in het
slaapkamerraam kijk ik met hem mee in de diepte van weggaan, luister
ik naar het lied van weggaan, en verbaas ik mij over de kracht die in
dat lied zit. Ophouden is een krachtig gebaar, denk ik, als ik luister
naar dat oeverloos geworden lijfje. En een gebaar dat we delen: iemand
moet zingen als je doodgaat.
2
De morgen is er een van mist die over de huizen hangt en waarachter
een zon met hoofddoek zit. Maar als ik op mijn fiets spring, op weg
naar brood en andere voorraden, heb ik het gevoel dat ik door het licht
zelf rij, een zijden glans die over en door en in alles ligt en die
mij van binnen aanraakt als een geliefde. Even plots, even hevig. "Mitteke,
zie na toch da licht, het is gelak muziek", schreef Timmermans.
En zo is het: iets in mij maakt geluid, rinkelt, klingelt, strijkt mij
aan. Terwijl mijn brave voeten de trappers duwen, luister ik naar het
geluid van het licht in mij, en voel ik de hand die in mijn borst zijn
vingers open doet. Eén moment maar vergeet ik de optelsom van
bedoelingen die ik ben, maar dat is voldoende: ik heb de klank gehoord
van deze morgen met zijn licht, ik, binnen in mij, ik, en wie ben ik
dan?
Koesteren moet ik zo'n moment, want ik weet dat het licht ook kan snijden.
Plots zie je jezelf lopen, en hoe vreemd kan dat zijn, die schim die
zich aan je opdringt. De dichter Hans Andreus schreef bundel na bundel
over dat licht, bezwering van woorden tegen de spiegel waarin hij zichzelf
moest zien. En wie ben ik dan, als ik mezelf in de weg sta. Als ik door
mijn eigen blikveld loop, dan wordt alles anders, zie ik niets meer.
Ik blader in Andreus' verzamelde gedichten. Dit wanhopige cirkelen rond
het licht, waaruit alles valt dat alles moet verlichten, is vandaag
nog altijd ontroerende lectuur. Komt er ooit een moment waarop ik zo
luidop tegen het bestaan moet praten, smekend, biddend, in plaats van
te mogen luisteren naar de merel, in plaats van op mijn fiets even aangeraakt
te worden? Ik weet het niet. Je weet het nooit vooraf, maar laat me
nog wat "de argeloos inwonende" zijn, "vuurvlinder, lichtpluisje,
gek deeltje oneindige nulruimte, vrouwelijk toch, warm nabij aan humus
en bloemblad en vrucht" (Andreus).
|