|
1
Geloof komt niet uit de lucht vallen. Geloof wordt integendeel vezel
per vezel opgebouwd, misschien zelfs al in de moederschoot. Als ik de
intensiteit zie waarmee een moeder naar haar baby kijkt, dan kan ik
me voorstellen dat die baby die blik voelt, voelt dat leven mogelijk
is, als iemand zo naar je kijkt. Grond voor een heel leven is die blik.
Geloof dat bestaan het hoogste is.
2
Geloof zou geen geloof zijn als het eenmalig was. Als dat kind opgroeit
en de blik zich naar binnen zal keren, zal het bestaan ook een afgrond
blijken. Als kinderen goed luisteren, en dat doen ze al vroeg, dan horen
ze het duister met zijn stemmen: klagen, gesnik, woede en het geluid
van wat vernield wordt. Is bestaan dan toch niet het hoogste? Geloof
wordt nu het aanleren van evenwicht: dat het duister niet overheerst,
dat er handen zijn die op je wachten, dat er een bed is om je toe te
dekken, dat wie je liefheeft er zal zijn.
Alles wijst het kind op dat onuitroeibare menselijke geloof: de bakstenen
die het huis dragen, de letters die onthouden in de boeken, de schakelaar
die licht geeft en de tuin die bloeit. Met betekenis leid je de wereld,
met cijfers bouw je haar verder, met vragen zoek je en antwoorden willen
wel op je wachten. Er is in de mensheid een massaal geloof aanwezig
waaraan het kind zich laaft, zoals het licht in en uit gaat als adem.
Opstaan en verder gaan, onophoudelijk, alsof de tijd zelf een vorm van
geloof is.
Het is goed dat ouders en anderen het kind daarop wijzen, het zou wel
eens kunnen denken dat die beweging vanzelfsprekend is, en dat is ze
niet. Ze kan stilvallen, als er repressie is en de onmacht te groot
wordt, of ze kan omslaan in haar tegendeel: een waanzinnig geloof in
vernietiging, zoals in alle oorlogen gebeurt. Alle kracht die zich toelegt
op vernielen, zoveel mogelijk vernielen.
Maar ook die waanzin verbergt onmacht, zoals blijkt uit de aard van
vernielen: daar is geen intelligentie voor nodig, geen geloof dat een
berg moet verzetten, geen verbeelding die volhoudt, nee, één
beweging en de auto wordt opgeblazen, de bibliotheek in brand gestoken,
het kind neergeschoten. Het heeft mij altijd verbaasd hoe "dom"
vernietiging is vergeleken met schepping
Vandaar dat vernietiging toch altijd weer ophoudt. Daarvoor is ze te
tegennatuurlijk. Natuurlijk is de bundeling van kracht om op te ruimen,
van verbeelding om te plannen, van geloof om het uit te houden. Zoals
in het gedicht van Szymborska: Na elke oorlog moet iemand opruimen.
Min of meer netjes wordt het tenslotte niet vanzelf.
Hier klinkt ook ironie door, de wijs geworden glimlach van de Poolse
dichteres, die ook vermoeidheid en onbegrip onder haar hoede neemt,
maar nooit bitterheid, nooit totaal ongeloof. De beweging blijft intact,
al is ze in de twintigste eeuw wel héél naakt geworden,
zoals de waanzin toen heeft toegeslagen. Maar ook Rieux zegt op het
einde van La Peste: Il y a dans les hommes plus de choses à admirer
que de choses à mépriser.
Het kan niet anders: leven is geloven. Het kind zal het wel aannemen,
zeker als het zelf ook kinderen krijgt. Dan wordt het geloof onvoorwaardelijk,
een nabijheid die nooit meer overgaat, zelfs niet door afstand, zelfs
niet door de dood.
3
In zijn totaliteit is geloof indrukwekkend, zeker. Maar ik stel het
te groot voor. Als kleine gelovige is de dag vaak net lang genoeg om
de avond te halen. Dan is de kracht op, en vaak ook de overtuiging.
Dan moet er iemand zijn om de batterijen te vullen, of om de zakken
te helpen leegmaken. Iemand om samen mee te eten. Iemand om iets aan
te vragen. Dan moet er een deur zijn die dicht kan vallen, dan moet
er warmte zijn en een bed. Er zit iets heroïsch in die beweging
van elke dag opstaan en aan het werk gaan (sommigen zullen zeggen iets
blinds, maar die hebben een ander mensbeeld). Maar de beweging vraagt
om gedeeld te worden. Hoe houd je geloof in stand alleen? Eenzaamheid
tast alle geloofsfundamenten aan. Japi, de uitvreter van Nescio, was
een schitterende kerel, blij met de zon en blij met de regen, blij met
een dure maaltijd en blij met een korst brood. Maar hij had geen hol
om de nacht door te brengen, geen plek die wilde luisteren, en hij ging
er aan kapot.
Jaren kan het goed gaan, alsof er kracht teveel is, talenten te over
die als vanzelf gaan bloeien. Jaren is geloof dan een begrip dat zelfs
niet aan de orde is, zelfs niet moet bestaan, als leven zo vanzelf gaat.
Maar er komt een moment dat het geloof wankelt, dat twijfel als een
doorn in het vlees blijft zitten en begint te ontsteken. En dan? Dan
is men weer het kind dat zijn handen uitstrekt, dat soms troost wil
voelen op de meest elementaire manier, door aangeraakt te worden.
Voor de meeste mensen ziet bestaan er zo uit: een golfbeweging van geloof
en ongeloof waar de dag orde in schept. En de meeste mensen zijn al
blij als de curve van het geloof groter wordt. Mooie namen heeft men
daarvoor: zelfvertrouwen, ervaring, wijsheid. Ik moest veertig worden
om iets van rust te vinden. En nog altijd is onrust niet echt ver weg.
En het zijn de oude remedies die je zo ver krijgen: liefdes, vriendschappen,
erkenning, alles wat een mens maar wil aanraken zoals hij ooit is aangeraakt
4
Maar terwijl we nog bezig zijn het geloof te leren, moeten we het alweer
beginnen af te leren. Ik bedoel: wat we kregen, zal hoe dan ook verdwijnen.
Het neemt ons in zijn armen terwijl we ademen, rondkijken, voelen dat
we vragen mogen stellen, maar het laat ons ook los, nu al, nu dit moment
alweer voorbij is.
Is het leven een misverstand, een ongemak, zoals Cioran beweert? Wie
zal het zeggen? Ieder volgt zijn eigen pad, schrijft zijn eigen verhaal,
verteld of niet. Maar dat er meer is tussen hemel en aarde dan de simpele
tegenstelling tussen licht en donker, goed en kwaad, dat is duidelijk.
Geloven volgt die troebelte, dit ineenvloeien van krijgen en loslaten,
van aanwezigheid die volloopt met afwezigheid. En telkens weer die intuïtie:
er zijn geen twee kanten met elkaar in strijd, nee, er moet een eenheid
zijn die al die kleuren bij elkaar houdt. Weg uit de dualiteit, voelt
het geloof aan, maar hoe? Waar naartoe? Als er een hemel is die de hel
moet overwinnen, waarom begint ze dan niet hier, in dit kleine, gebroken
aardse leven? Als er een verlichting wacht, waarom die eindeloze ketting
van proberen, van vallen en opstaan? Als de aarde de grote moeder is
die herverdeelt, de warme donkerte die neemt en geeft, waarom dan die
hardnekkigheid om te bewaren, om boven haar uit te stijgen? Ik gebruik
hier lettertekens en woorden die zoveel ouder zijn dan ik, hoeveel stemmen
klinken er in mijn stem? En al die lichamen die zichzelf doorgeven en
herhalen, met een overgave die niet van henzelf lijkt? Waarom die beweging,
dit grote verlangen dat ooit startte en nu nooit meer kan ophouden?
Waarom niet het stof dat ligt op de maan, waarom niet de kou van planeten,
het woordeloze licht van de sterren? Waarom uit alle geluiden ter wereld
net deze gekozen die de Goldbergvariaties maken? Waarom dan de kathedralen,
als er binnenin niets meer is dan bewegingsloze lucht? Waarom al die
kennis, als kennis niet meer is dan uitgesteld verlies, dan een plek
in de grond? Waarom die wanhoop om al dat verlies, als verliezen onze
tweede natuur is? Vita vigilia, we zijn wakers in de nacht, luisterend
naar de stilte die nooit leeg is, starend in een donker waaruit licht
moet komen. Paradoxen omringen ons, de dichters raken ze aan, wie zingt
laat ze allebei klinken: de stilte en het geluid, de verte en de nabijheid.
Wat een vreemd geloof dat niets meer heeft om te geloven. Wat een vreemd
gebaar dat in het aanraken ook het loslaten voelt. Maar ook omgekeerd:
niets lijkt zo vruchtbaar als verliezen. In de leegte is veel plaats
om geboren te worden. Verdriet leert troosten en troost heeft respect
voor het verdriet. De nacht is een herinnering en een belofte. Maar
is niet alles dat? Alles hangt tussen twee uitersten, niet alleen in
de tijd maar ook in zijn wezen. Elk rechtstaan is op het scherp van
de snee, een blik naar boven en een blik in de afgrond. Zo scherp te
moeten leven, het kan angst aanjagen. Geschapen te zijn tussen twee
onmetelijkheden maakte Pascal koud van inzicht, en verloren. Als je
in je eentje moet geloven, voel je altijd de kou, denk ik. In elk geval
voel je de snee onder je voeten, en je kunt er nauwelijks over praten,
of iets van laten zien. Dan heeft gedeeld geloof het makkelijker, met
zijn rituelen en verhalen en ruimte voor iets anders dan handel en ontspanning.
Wat is er groter dan een mens, laat Shakespeare Hamlet zeggen. En diezelfde
Hamlet voegt er aan toe: waarom hou ik dan niet van de mens?
En toch. Net als een kind zich laaft aan het massale mensengeloof, zo
breekt door de existentiële angst toch altijd weer -vanwaar die
wil- de overtuiging dat alles uiteindelijk ten goede is. Zelfs wie dat
goede niet wil invullen, vult het toch in door het te aanvaarden, door
zich te laten troosten, door het leven weg te geven in een soort zelf
bevochten zinvolheid. Schoonheid, goedheid, rust, ze vullen al zo lang
het eenzame hart van de mens. En men kan er spottend over doen als men
jong is, en kracht en geloof te over heeft, als men ouder wordt troosten
ze zonder onderscheid. De wijsheid regeert, en die heeft niets te maken
met meningen die delen en verdelen, maar met een nabijheid die niet
meer wil dan dat, nabij zijn. Er is in mildheid een verlangen om uitersten
te verzoenen, zelfs zonder te begrijpen, misschien zelfs zonder ze te
aanvaarden. Er is in mildheid een rest van het zich verwonderende kind,
dat geen schaamte voelt om dwars door iets heen te kijken, pure openheid
tegenover dit vreemde bestaan. Er is in verliezen zoveel dat tekeer
gaat, zeker. En toch telkens weer die wil om uiteindelijk te luisteren
tot al die stemmen een soort samenklank krijgen, tot er iets van een
betekenis te horen is. Er is veel lijden, ja, maar zijn er niet ook
vele voeten die komen helpen, armen die opereren en toedekken, ogen
die foto's maken, ruggen die tenten en water brengen? En worden er uit
lijden niet ook conclusies getrokken, inzichten die nooit meer weg zullen
gaan?
Er is de dood, ja, maar in het afscheid ligt de kern van dit bestaan.
In het afscheid wordt het kind groot, het werk en het kunstwerk zijn
op een bepaald moment af, blijven duren doet niets. In het achterlaten
ligt het geboren worden, in het loslaten respect, in de eindigheid de
oneindige beweging die groter is dan al het andere samen.
Een mens kan niet anders dan tussen die uitersten leven. Maar niet als
Pascal, in existentiële angst, maar als een dansend kind. Daar
waar de ene beweging overgaat in de andere, daar is de lichtheid die
niemand kan vasthouden, maar die even groot is als de beweging waaruit
ze komt. Even maar, deze stilstand, dit hangen tussen de tegenstellingen,
dit uitrusten tussen uitersten, maar de diepte openbaart zich grondeloos.
Van de mens is de diepte en hoewel ze even ongrijpbaar is, is het wel
in hem dat ze zich voltrekt. De lichtheid van de danser, de fractie
stilstand na het springen voor het vallen is, hoe weinig en klein ook,
groot genoeg om alles van die diepte te ontvangen. Weer zo'n paradox
van oneindigheid in onze kwetsbare menselijkheid. Mensen lijken wel
tussen de uitersten gezet om alles zichtbaar te maken
Vandaar dat de bewegingen die in leven zitten, vaak van een oneindige
schoonheid zijn, en een moment is genoeg om ze te voelen, om ze te zien.
Tot in het diepste ontroeren kan een zachte bries 's avonds, als alle
lucht opgedronken is door een vogelkeel, tot de klanken hard worden
als edelstenen. En dan dat vleugje wind, dat vaak ook gaat geuren
Eens kwam ik thuis, de achterdeur stond open en ik vond mijn moeder
slapend op de bank, haar hand onder haar gezicht gedrukt, lang en diep
haalde ze adem. En ik keek naar haar zoals ik nog nooit naar haar gekeken
had, en ik voelde afscheiding en verbondenheid ineen, en ergens sneed
ik me aan dat gevoel, deed het pijn
En ik herinner me het oceaangevoel toen mijn eerste kind geboren werd,
alsof de grote onzichtbaarheid die alles in zijn handen houdt zelf een
stap naar voor had gezet. En de dokter vroeg of ik al een naam had,
en ik kon niet spreken, stom van geluk.
En te midden van een hoopje mensen zie ik mijn vrouw. Ze is aan het
luisteren naar iemand, met dat zachte gezicht van haar, en weer gaat
in mij een hand open die me optilt, want ik zie dat zachte dat mijn
leven heeft gered, ik zie het genot te mogen praten met iemand die zo
luistert, ik zie de sterkte die in zachtheid zit. Bewegen wordt makkelijker
als er zachtheid is, in beweging komen dan ook zoeken, vragen, aarzelen,
het worden bewegingen van de dans, het is de rook die keert en golft,
het is het licht dat schaduwen verdraagt, schemer, nevel.
Tussen de onmetelijkheden die ons omringen, van licht en donker, van
geboorte en dood, is dit moment van dansende lichtheid een andere onmetelijkheid,
een diepte die in ons open gaat en alles lijkt mee te brengen wat we
zijn, en dat is veel. Zo diep is dit moment van bestaan, dat ze de troebelte
helder kan maken, dat ze het gewicht op kan heffen, de zinloosheid klieven
in betekenis, zelfs al zijn er geen woorden voor, enkel tranen van ontroering.
En dat dit grote ook in zoiets kleins kan als een enkele adem, een blik,
een hand op een hand. De klank in een stem. Het licht zoals het op de
straat valt. Het nakijken van wie de deur uit gaat. De stilte 's nachts.
De muziek als ze heupwiegend op je gaat liggen. De lach om de mond,
en die lach ken je. Vanwaar toch die kracht?
4
Geloof wordt aangeleerd en weer afgeleerd en weer aangeleerd: dat is
op zichzelf al een dans. Als het moment doorbreekt, wordt geloven weer
eenvoudig. En wie ben ik dat ik zo aangekeken word? En wie ben ik dat
de lucht mij in leven houdt? En wie ben ik in dit lichaam van mij, dit
steeds weer aangeraakte wonder van aanwezigheid? Wat is dit grote verlangen
dat in die aanraking meekomt en nooit weg lijkt te gaan?
Met de dans van het geloof wordt die vraag sterker: is er een bron die
ons in leven houdt, is er een vuur dat ons aansteekt, is er een kracht
die ons gezien heeft?
Omdat het geloof, met de jaren, zo gegroeid is dat het overstroomt naar
al het andere dat ook in leven is, moet het ons niet verwonderen dat
het verder wil groeien, en wil uitkomen bij iets buiten ons. En moet
het ons niet verwonderen dat we een gezicht zoeken, een hand, een stem,
een verhaal. Zijn we niet uit een mens in het leven gevallen?
Geloof blijkt altijd zo dicht bij onze huid te komen, dat het toch niet
vreemd is als mensen het verlangen dat hen aansteekt vangen in religieuze
beelden, verhalen, ruimtes. Geen verstarde religie, vastgelopen in macht
en blindheid, maar een vrijgemaakte religie, die de noodzaak bijeen
te houden niet met autoritaire, waarheid claimende, sociaal uitsluitende
middelen wil verwezenlijken, maar met het gezag dat gegeven wordt aan
wie wil luisteren. En gaat het religie niet om luisteren, om samen luisteren?
Stil bij elkaar zitten zou al voldoende moeten zijn, luisteren naar
de stilte als ze vanuit de diepte wil komen, misschien wel de diepte
van dit moment nu. Maar omdat de beweging ondertussen niet stilzit,
is het goed als mensen die samen willen geloven, ook samen iets doen:
een ritueel dat voor hen zal spreken, voor dat waar geen woorden voor
zijn. En dat in een ruimte die voor niets anders dient dan voor dit
leeg geworden, leeg willende worden samen zoeken. Laat iemand voorlezen
uit de heilige boeken, laat iemand een woord zeggen waarover is nagedacht,
laat iemand een lied aanheffen, laat iemand wierook branden, laat iemand
brood en wijn delen, laat iemand licht meebrengen, laat iemand een naam
noemen, laat iemand rechtstaan, zijn schouders mee onder het dak dat
zich boven zijn hoofd uitstrekt, laat dit allemaal gebeuren, het brengt
het grote geloof in aanwezigheid die zoekt en vraagt heel dicht bij
de huid van wie zoekt en vraagt. Het hoeft geen antwoorden mee te brengen,
aanwezigheid die mag zijn is genoeg. Trouwens, veel antwoorden zijn
er niet. We zijn te ongelovig geworden in ons geloof, om nog veel antwoorden
te verdragen. Eenvoudig kan enkel dit kleine moment zijn, nooit het
grote leven dat ons aandrijft. Geloof is geen antwoord, maar een blik,
een verlangen, een gebaar: dat de goedheid uiteindelijk zal zijn, zoiets,
meer woorden zijn er niet, hoe zouden ze.
Maar de woorden die er zijn, zijn van een onvoorstelbare koppigheid.
Eenmaal genoemd zal het woord 'gerechtigheid' nooit meer zwijgen. Eenmaal
losgelaten, zal het woord 'mededogen' niets minder willen dan de verlossing
van de hele schepping. "Alles is vol van wat nog niet is",
zegt de filosoof Bloch. Hij noemt het de hoop: "iets dat ons voortjaagt,
verder wil, het niet bij ons uithoudt, wil uitbreken, op zoek naar hoe
alles zou kunnen zijn
". Eigenlijk speelt het geloof met het
onmogelijke, en danst het onmogelijke met het geloof
5
Het leven is een mysterieuze gave, dat weten we. Als het ons aankijkt,
dat mysterie, in stillere momenten, in moeilijke momenten, in volle
momenten, verdragen we dan die blik? Kijken we dan terug?
|